Monday, February 13, 2006

Column

De Amerikanist

Babel oktober 2005

Amerikanistiek is een kleine, maar groeiende studie die is ondergebracht bij geschiedenis. Je komt er figuren van allerlei pluimage tegen: studenten Engels, Politicologie, Film- en Televisiewetenschappen, Internationale Betrekkingen en een hele zwik internationale studenten vormen slechts een greep uit de studenten die een kijkje komen nemen bij Amerikanistiek. Vanwege deze veelzijdigheid kun je de Amerikanist niet als één bepaald studententype neerzetten. Toch hebben alle studenten Amerikanistiek, naast hun gezamenlijke interesse voor Amerika, zeker één ding gemeen: de manier waarop ze door anderen worden gezien. Want als je het hebt over Amerika, heb je het over emoties. Sinds de oorlog in Irak heeft de toch al dalende populariteit van Amerika een dieptepunt bereikt en dat is te merken. Als student Amerikanistiek wordt je meestal meteen als handlanger van Bush en z’n kornuiten gezien. Zodra mensen ontdekken dat je in het dagelijks leven je tijd wijdt aan Amerika wordt er met een hoge mate van voorspelbaarheid een spervuur van vragen op je afgevuurd. De top drie: Vraag één is steevast: ‘Waarom Amerika, dat is toch een stom land waar niks aan te bestuderen valt?’ (Dit lijken drie vragen in één, maar de kernvraag is natuurlijk waarom je Amerika zou willen bestuderen. De rest is subjectieve toevoeging). Vraag twee wordt dan: ‘Ben je dan heel erg… pro Amerika/ pro Bush?’ (In het ergste geval wordt het woord ‘Amerikafan’ gebruikt). Wanneer je dan aangeeft dat Amerikanistiek ook een wetenschappelijke studie is, wordt erover gegaan op vraag drie: ‘Maar wat vind jij dan van de oorlog in Irak? Dat was toch nergens voor nodig’, etc. En alsof dat nog niet genoeg is heb je als student Amerikanistiek ook nog eens te kampen met het gezicht van de Amerikanist. In Nederland is dat gezicht heel duidelijk. De student Amerikanistiek wordt toch altijd een beetje gezien als ‘de nieuwe Maarten van Rossem’. De Amerikanist wordt bijna altijd gedwongen om in te gaan op dergelijke vragen en komt er vaak niet eens meer aan toe om te vertellen wat ie nu eigenlijk doet als student Amerikanistiek. De waarheid is dat er meer onderwerpen zijn dan Irak of McDonalds, en gelukkig ook meer banen dan alleen die van Maarten van Rossem. Alles wat ook maar op de een of andere manier te maken heeft met Amerika kan een studieobject worden. Van Starbucks tot Sesamstraat, van hiphop tot de reactie van Nederlanders op de Amsterdamse student Amerikanistiek, het kan allemaal.

Interview

Barbara Stok: De Dagboekstrip

Babel september 2005, ism Kirsten Dorrestijn















Je woont ver weg, helemaal in Groningen.
Ja, mensen vragen wel eens waarom ik zo ver weg woon van alles, maar voor mij wonen mensen uit Amsterdam ver weg van alles.

Waarom maak je autobiografische strips?
Ik schrijf al van jongs af aan en de combinatie tekst en tekening werkt goed voor mij. Dat het mijn beroep zou worden had ik nooit gedacht. Op mijn twintigste ben ik begonnen met het maken van autobiografische strips. Dat betekende een enorme opluchting, alles waar ik me kwaad over maakte of wat ik kwijt wilde, kon ik nu uiten in mijn strips. Achteraf gezien had ik mijn poppetje beter een andere naam kunnen geven. Het wordt soms wel erg persoonlijk. Ik ben de autobiografische vorm nu meer gaan gebruiken om te vertellen wat ik echt wil zeggen, meer maatschappijkritisch. Het gaat dan niet echt over mij, maar over hoe de meeste mensen reageren. Ik vind dat autobiografische striptekenaars, zoals Maartje Hartjes op dit moment de mooiste strips maken.

Je strips zijn soms heel persoonlijk, ze gaan vaak over seks, wil je daarmee ook provoceren?
Nee, ik wil er niet mee provoceren. Eerder andersom, ik wil ook de andere kant laten zien. Zo word ik bijvoorbeeld gek van seks op tv. In mijn strips probeer ik een realistischer beeld te scheppen. Ik schrijf er niet op een stoere toon over, maar ik druk bijvoorbeeld mijn onzekerheden uit. Als ik vroeger een strip had gelezen over iemand die geen orgasme kan krijgen, had ik die herkenning heel fijn gevonden. Tegenwoordig schrijf ik nauwelijks meer over seks, het is een onderwerp waar ik het nu wel mee heb gehad.

Gebruik je bewust veel humor in je strips?
Ik denk dat de lollige sfeer maakt dat de boodschappen die ik aan de wereld te melden heb aankomen. Zo kan ik een groot publiek bereiken, anders wordt het zo preken voor eigen parochie.

Hoe ben je een gepubliceerd striptekenaar geworden?
De strips Barbaraal 1 tot en met 4 heb ik in eigen beheer uitgegeven. Vrienden waren erg enthousiast over de kopietjes die ik hen gaf. Daarom ben ik op een dag met mijn moeder in de auto gestapt en heb ze bij allerlei boekhandels in Nederland gelegd. Sommige winkels belden een week later dat mijn strips uitverkocht waren. Ik merkte al snel dat ik het op die manier niet kon volhouden. Uiteindelijk merkte mijn huidige uitgever Nijgh & van Ditmar de strips op bij boekhandel Atheneum in Amsterdam en zijn de kopietjes gebundeld.

Wie zijn jouw eigen voorbeelden?(Barbara loopt naar de boekenkast vol strips die in de kamer staat en haalt er een paar boeken uit)
Schrijf maar op: Robert Crump, Peter Bugge en Joe Matt. Die kan zo precies tekenen dat ik soms denk dat ik er maar mee moet stoppen.

Vind je de strips een echte kunstvorm?
Ja, strips is ook wel een soort kunst. Nou ja, ook wel…het is zeker kunst! Het heeft wel wat dat het een ondergewaardeerd genre is, dan kan er niet van naast je schoenen gaan lopen. Ik hou wel van bescheidenheid. Als striptekenaar ben ik de hele dag poppetjes aan het tekenen. Mensen zien je toch altijd als infantiel gebleven.

Hoe lang doe je over een tekening?
Ik teken in ongeveer drie dagen één pagina vol. Ik ben heel pietluttig, alle lijntjes moeten precies naar mijn zin zijn. Mijn tekeningen zitten altijd vol met tippex en bevatten veel knip- en plakwerk.

Heb je het idee dat jouw strips vooral vrouwen aanspreken?
In het begin had ik heel sterk dat ik dacht dat mijn strips voor zowel mannen als vrouwen waren, maar nu zie ik wel dat het soms meer vrouwen kan aanspreken. Ik ben mezelf de laatste jaren meer bewust van mijn vrouwzijn, misschien beïnvloed dat mijn onderwerpkeuze. Voorheen zag ik mezelf als onzijdig, gewoon een mens. Ik denk nog steeds dat het verschil tussen mensen onderling groter is dan de verschillen tussen mannen en vrouwen. Maar ik geloof dat mijn strips zeker ook leuk voor mannen zijn.

Hoe hoop je dat je toekomst eruit ziet?
Een leven zonder striptekenen kan ik mij niet voorstellen, waarschijnlijk zou ik dan diep ongelukkig worden. Als ik naast mijn werk in opdracht genoeg eigen strips kan maken ben ik een gelukkig mens!
‘Arlington is een kerkhof voor de levenden’

Nederlands Dagblad 18 mei 2005

Washington- Arlington National Cemetery is vooral bekend als de begraafplaats van de vermoorde president John F. Kennedy. Maar er liggen nog meer dan een kwart miljoen andere militairen begraven in de 260 hectare grond die ‘Arlington’ beslaat. Het is de grootste nog in gebruik zijnde militaire begraafplaats van de Verenigde Staten. Dagelijks vinden er gemiddeld zo’n zesentwintig begrafenissen plaats. En de piek moet nog komen.















Grond speelt een belangrijke rol op het in Washington gelegen Arlington National Cemetery. Tuinarchitect Eric Dihle kan er volop zijn liefde kwijt voor alles wat met grond te maken heeft. “Het is echt mijn passie”, zegt Dihle over zijn werk op Arlington National Cemetery, terwijl hij in zijn donkerblauwe van het terrein doorkruist. De tuinarchitect die in Californië afstudeerde, werkt al 20 jaar aan de andere kant van het land. Inmiddels gaat hij niet alleen over “alles wat er in en met de grond gebeurd”, maar is hij ook verantwoordelijk voor de uitvoerende kant van de begrafenissen. Samen met een legertje mensen dat werkzaam is op de begraafplaats zorgt hij voor alles wat er nodig is voor een begrafenis: van het vervoer tot de vlag die op de kist ligt. “Je zoekt steeds naar een balans om het uitvoeren van begrafenissen in overeenstemming te brengen met de bezoekers aan het kerkhof en met de verzorging van de planten”, legt Dihle uit, terwijl hij vol op de rem moet voor een groepje plotseling de weg op rennende scholieren. Wat het meest opvalt is de levendigheid op het kerkhof. Er lopen hordes scholieren joelend rond; je komt regelmatig andere medewerkers van het kerkhof in hun wagens tegen en er staat een militaire colonne opgesteld voor een begrafenis. “Op een congres kreeg ik ooit een bordje van een collega, waarop stond: Kerkhoven zijn voor de levenden. Je kan hier wel zien dat dat waar is”, zegt Dihle. Jaarlijks bezoeken ruim vier miljoen mensen de begraafplaats. Daardoor is het niet zo eenvoudig het terrein mooi te houden. De begroeiing op het kerkhof wordt dan ook streng in de gaten gehouden. “Op de graven zijn alleen versgesneden bloemen in een vaas toegestaan”, legt Dihle uit. “Dat heeft deels te maken met het uniform houden van de graven, maar ook met het feit dat zelfgeplante bloemen makkelijk vertrapt kunnen worden door bezoekers, of dood kunnen gaan als gevolg van de onkruidbestrijding die we hier moeten doen. Zoiets is pijnlijk voor de nabestaanden en willen we dus voorkomen”.

Pesterij
Oorspronkelijk was Arlington niet bedoeld als begraafplaats. De 80 hectare die het gebied aan het begin van de 19e eeuw was, hoorde bij een huis dat van de kleinzoon van George Washington was. Na zijn dood gingen het huis en de grond over op zijn dochter, die met Robert E. Lee trouwde. Lee werd in 1961 een leidende generaal voor het Zuiden in de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij en zijn vrouw verhuisden van het terrein. En met reden, want al aan het begin van de oorlog bezette de Federale troepen uit het Noorden Arlington. In 1864 gaf generaal Montgomery Meigs opdracht slachtoffers van de slag bij Bull Run te begraven op het terrein van Arlington House. Dit was niet zozeer om de omgekomen soldaten ten ruste te leggen, als wel een pesterij richting Lee om te voorkomen dat die nog ooit in het huis zou willen wonen. Meigs liet een enorme tombe in de rozentuin recht voor het huis bouwen, om er de resten van zo’n 1800 slachtoffers in te begraven. Dit werd een van de eerste monumenten van de begraafplaats. Na de oorlog keerde Lee niet meer terug naar het huis. Hij stierf in 1870. In 1883 kocht het Congres Arlington van Lees erfgenamen en werd het een officiële militaire begraafplaats.

Wachtlijsten
Door de jaren heen zijn militairen uit alle oorlogen waarbij de Verenigde Staten betrokken waren op Arlington begraven. Ook liggen er bijvoorbeeld omgekomen astronauten. Op dit moment zijn de meeste begrafenissen op het kerkhof van veteranen uit de Tweede Wereldoorlog. Dagelijks sterven er daarvan zo’n 1000 in de VS. De piek wordt pas in 2008 verwacht. Waarschijnlijk zullen er dan zo’n dertig begrafenissen per dag plaatsvinden op Arlington, dat de drukte nu vaak al niet meer aankan. Het probleem is dat de uitvaarten op Arlington militaire begrafenissen zijn die with honor of with full honor worden uitgevoerd. Dit betekend onder meer dat de kist door militairen in uniform begeleidt wordt, soms op een door paarden getrokken kar, en dat er saluutschoten worden afgevuurd. Door al deze maatregelen die voor een begrafenis genomen moeten worden, ontstaan er soms maandenlange wachtlijsten. “Toch hebben nabestaanden daar geen moeite mee”, vertelt Dihle, “Het geeft ze tijd om alles te regelen, en de familie is altijd blij dat hun geliefde met het hun toegekomen respect wordt begraven. Het is meestal heel emotioneel”. Militairen die in Afghanistan of Irak omkomen, hebben prioriteit en worden direct begraven, maar de meeste van deze soldaten worden door hun familie in eigen kring begraven. Er liggen nu zo’n 120 soldaten uit deze oorlogen op Arlington. Alle andere doden moeten wachten. Maar omdat het balsemen van lichamen in de VS heel gewoon is, is het mogelijk lichamen lang te bewaren. Soms worden mensen na hun dood jaren bewaard, tot de partner overlijdt en beiden tegelijk begraven kunnen worden.

Planning
Door de drukte zijn er veel dagen waarop er wel vijf begrafenissen op hetzelfde tijdstip plaatsvinden. De planning is dan ook erg strak. Geen enkele uitvaart duurt langer dan een uur. “We zorgen er wel altijd voor dat er genoeg afstand tussen de begrafenissen is, zodat ze elkaar niet afleiden. Ook houden we bezoekers op afstand tijdens begrafenissen. En we begraven op verschillende plekken op Arlington. Daar zijn mensen wel verbaasd over, maar we begraven niet in rijen of op nummer”, legt Dihle uit. “Soms hebben we opeens nog plekje in een oud deel en begraven we iemand op een stuk waar al 100 jaar niemand meer begraven is”. Dit zijn echt lege plekken, want graven ruimen, daar doen ze niet aan op Arlington. Alle graven zijn permanent en worden betaald door de staat. Maar om recht te hebben op een plek op Arlington moet je wel aan veel eisen voldoen. Daar is een uitgebreid reglement voor opgesteld. Je moet in actieve militaire dienst zitten of daarvan gepensioneerd zijn, je moet bepaalde militaire onderscheidingen hebben of gewond zijn geraakt in actieve dienst. Of je moet president van de Verenigde Staten zijn geweest. Als partner van zo’n militair heb je wel recht om met je man of vrouw begraven te worden; als kind geldt dat alleen maar tot 21 jaar. Op die manier wordt er geprobeerd op een goede manier met de ruimte op Arlington om te gaan, omdat er waarschijnlijk nooit een tijd zal komen dat er geen militairen op Arlington begraven hoeven te worden.
Op de vraag hoe een tuinarchitect uit het zonnige Californië het voor elkaar krijgt twintig jaar op een begraafplaats, geeft Dihle lachend antwoord: “Dat is toch echt het voorrecht van werken op Arlington. Het eren van de mensen die dit land gediend hebben. Arlington is écht een geheiligd oord.”
Boycot van Procter & Gamble voorbij

Nederlands Dagblad 25 april 2005, ism John P. Elliott

Washington- De boycot van het Amerikaanse concern Procter & Gamble (P&G), die het afgelopen half jaar werd gevoerd door organisaties die zich sterk inspannen voor de versterking van de positie van gezinnen, is opgeheven.

Tot de boycot op P&G, fabrikant van ook in Nederland bekende merken als Dreft en Pampers, was overgegaan omdat volgens de organisaties het bedrijf een homesexuele levenstijl zou promoten. Zo adverteerde het bedrijf veel rondom pro-homosexuele televisieseries, bijvoorbeeld Will & Grace.
Het afgelopen najaar riepen de American Family Association (AFA) en Focus on the Family op tot een boycot van Procter & Gamble, omdat het bedrijf beschouwd werd als een van de grootste bedrijven die achter het homo-huwelijk zouden staan. Deze conclusie werd deels ingegeven door het adverteergedrag van P&O. Met 8.2 miljoen dollar in zes maanden aan tv-commercials was het bedrijf de grootste sponsor van dergelijke televisieseries. Maar ook werd tot de boycot opgeroepen omdat P&G al elf jaar eerder zo’n 40.000 dollar heeft gegeven aan een volksreferendum in Cincinnati, met als doel pro-homosexuele wetten aangenomen te krijgen.

Meer verantwoordelijk
De boycot is sneller opgeheven dan werd verwacht, maar Tim Wildmon, voorzitter van de AFA, heeft er desondanks vertrouwen in dat P&G zijn marketingstrategie verandert heeft: “Ze zullen niet toegeven dat ze hun gedrag hebben verandert, maar dat maakt niet uit. Hun daden laten zien dat ze verantwoordelijker omgaan met hun marketingbudget”, zo verteld hij de Baptist Press.
Procter & Gamble zelf gaat niet echt in op de boycot. In een korte verklaring laat het bedrijf weten blij te zijn dat deze is opgeheven en dat het bedienen van hun klanten het belangrijkste doel is.
De vraag is natuurlijk of een organisatie als AFA een verschil kan maken op de balans van gigant P&G. Wildmon is daarvan overtuigd: “We hebben een adressenbestand van meer dan twee miljoen mensen; en Focus on the Family heeft een radiouitzending aan het onderwerp gewijd. Met ons American Family Networks kunnen we zo’n 200 radiostations bereiken, dus het nieuws deed zeker de ronde”. In ieder geval hadden wel ongeveer 400.000 mensen een petitie tegen het bedrijf ondertekend.
Procter & Gamble is overigens niet het enige bedrijf dat zich een boycot van de AFA op de hals heeft gehaald. Disney heeft al sinds 1997 een boycot tegen zich lopen. Maar ook daar is Wildmon optimistisch over; “Net zoals Procter & Gamble is Disney niet meer zo agressief als een paar jaar geleden. We gaan binnenkort bekijken waar die boycot heen gaat”. Het feit dat Disney werkt aan een nieuwe film met een christelijk thema, zal zeker in het voordeel werken van het filmbedrijf.
Amerikaanse vrijwilligers proberen illegale Mexicanen buiten VS te houden

Nederlands dagblad 20 april 2005

Washington- Per dag proberen duizenden Mexicanen te voet de grens naar de Verenigde Staten over te steken. Sommigen hopen op een beter leven daar, maar er zijn ook drugssmokkelaars bij. Omdat president Bush geen plannen heeft deze illegalen harder aan te pakken, heeft een aantal Amerikanen het heft in eigen handen genomen.

Zo’n duizend vrijwilligers helpen een maand lang de grens met Mexico te bewaken, bij Douglas en Naco (Arizona). “We willen het Congres en Witte Huis alleen maar laten zien wat het effect is van meer grensbewaking”, zegt medeorganisator James T. Gilchrist in The Washington Times. Het aantal Hispanics in de VS is de afgelopen jaren explosief gegroeid, zo zeer zelfs dat nu voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis zij, en niet meer de Afro-Amerikanen, de grootste minderheidsgroep zijn. De groep is zo groot dat ze niet hoeft te integreren. Engels spreken doen de Hispanics meestal niet. Nu president Bush ook nog eens de geplande extra versterking voor de officiële Grenswacht heeft verlaagd van 2000 naar 210 man, is besloten tot het Minuteman Project. Het project, genoemd naar de Minutemen -revolutionairen die tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog meevochten en in één minuut klaar waren voor de strijd, is georganiseerd vanuit Team America, een actiegroep die het Amerikaanse immigratiebeleid te veranderen.


Niet aanraken
De vrijwilligers die aan de grens worden ingezet, hebben een pittige selectieprocedure ondergaan en zijn allemaal gedurende twaalf uur getraind voor ze mogen patrouilleren. Wat ze mogen doen is precies omschreven. Het is niet de bedoeling dat het tot gewelddadige confrontaties komt. De Minutemen mogen alleen op de uitkijk staan. Zodra ze Mexicanen signaleren die de grens proberen over te steken, lichten ze de Grenswacht in. Die mag de illegalen oppakken en terugsturen. De Minutemen zelf mogen de illegalen dus op geen enkele manier aanraken. Dit beleid wordt strikt gehandhaafd.
Het Minuteman Project riep vanaf het begin uiteenlopende reacties op. Latijns-Amerikaanse bendes dreigden naar de grens te komen om eigenhandig vrijwilligers neer de schieten; maar er zijn ook positieve reacties, vooral van omwonenden van de grensposten waar de Minutemen patrouilleren. De eerste opgepakte illegalen die werden opgepakt, zijn afgevoerd onder luid gejuich van omstanders.
Er zwermen ook allerlei organisaties rond de Minutemen. De mensenrechtenorganisatie American Civil Liberties Union (ACLU) bijvoorbeeld laat dag in dag uit ingehuurde opzichters erop toezien dat de Minutemen geen burger- of mensenrechten schenden.
Ook aan de Mexicaanse kant van de grens gebeurd van alles. De Mexicaanse president, Vincente Fox, heeft president Bush laten weten niet achter het project te staan. De Mexicaanse grenswachten adviseren de illegalen niet bij de extra bewaakte posten over te steken, of om te wachten tot mei, als de Minutemen weer weg zijn. Grupo Beta, een Mexicaanse humanitaire overheidsorganisatie, pikt illegalen die bij de extra bewaakte posten de grens over willen op en brengt ze naar een veiligere plek. En dan zijn er nog kerkelijke hulporganisaties die water en voedsel achterlaten in gebieden waar veel illegalen de grens over proberen te komen.

Coyotes
Maar de echte criminelen zijn de coyotes. Zij laten de Mexicanen duizend dollar betalen om zich de grens over te laten brengen, maar maken gebruik van hun voorkennis over de Minutemen door ‘hun klanten’ na betaling naar de grensposten van de Minutemen te brengen. Daar worden de illegalen opgepakt en teruggestuurd. Met lege handen, behalve als je door minuteman Bryan Barton wordt aangehouden. Dan krijgen ze elk een wit T-shirt mee met daarop in het Engels en Spaans de tekst: ‘Bryan Barton pakte me toen ik de grens overstak en het enige dat ik kreeg was dit maffe t-shirt’.
In de eerste anderhalve week van het project werden met hulp van de Minutemen bijna driehonderd illegalen tegengehouden. Sommige leden van de officiële Grenswacht vinden dat de extra wachters een toch al gevaarlijke situatie nog gevaarlijker maken. Anderen zeggen de hulp te verwelkomen.
Het Minuteman Project is geen Democratische aanval op de politiek van president Bush. Ook Amerikanen die Bush steunen hebben zich als vrijwilliger aangemeld. Larry Morgan is één van hen. Hij omschrijft zichzelf als “een rechtse, conservatieve Bush-aanhanger”, maar is van oordeel dat Bush het verkeerd heeft, als het op immigratie aankomt. De Minutemen hebben president Bush uitgenodigd eens langs te komen bij de grens, maar die heeft zich tot nu toe nog niet laten zien.
‘Gore TV’ mikt op internetgeneratie

Nederlands Dagblad 13 april 2005, ism John P. Elliott

Washington- “Jonge mensen hebben een sterke stem, maar je hoort die stem niet op televisie, althans nog niet”. Met die woorden kondigde de voormalige Democratische vice-president Al Gore aan dat hij een eigen kabelkanaal wil beginnen.

Met het nieuwe kanaal, Current, dat op 1 augustus van start gaat, wil Gore de ‘internetgeneratie’ weer terug voor de buis krijgen. Om dat te bereiken heeft Current, in de volksmond ook wel ‘GoreTV’ genoemd, het concept bedacht van 24 uur per dag snelle, korte filmpjes. “Een kruising tussen MTV en CNN, de tv-versie van een iPod-shuffle”, aldus het Current-team. De filmpjes zullen tussen de vijftien seconden en vijf minuten lang zijn, en behalve informatie over mode, muziek en videospellen ook serieuzere onderwerpen als religie, relaties en ouderschap aansnijden. Onderwerpen die –volgens het Current-team- jongeren tussen de 18 en 34 nergens anders op televisie kunnen vinden. Verder komt er een programma in samenwerking met de internet-zoekmachine Google. Google Current wordt gebaseerd op veelgezochte Googledata, zodat het programma onderwerpen brengt waarnaar echt gezocht wordt,meldde de krant The Washington Times.
Current wil verder jongeren interesseren door zich op te stellen als een open podium. Kijkers kunnen helpen de programma’s in te vullen door het aandragen van ideeën en zelfgemaakte filmpjes op de website van Current.
Al twee jaar geleden ging het gerucht dat Gore een eigen tv-kanaal wilde beginnen. Pas vorig jaar mei werden er echt stappen gezet, toen voor 70 miljoen dollar het Canadese nieuwskanaal NWI werd gekocht. Hiermee zal Current in negentien miljoen huishoudens te ontvangen zijn.

Kiezers winnen
Veel Amerikanen vragen zich overigens af of het nieuwe kanaal niet gewoon bedoeld is om jonge kiezers te winnen voor de democraten. Dat is niet zo’n vreemde vraag gezien de samenstelling van de groep oprichters van het kanaal: Gore kocht NWI samen met advocaat Joel Hyatt, voormalig financieel voorzitter van het Democratisch Nationaal Comité. De twee kregen daarbij hulp van investeerders als Ronald Burke, die ook flink wat geld steekt in de Democratische Partij.
Gore ontkent echter dat er sprake is van een ‘Democratische zender’: “We hebben niet de intentie een democratische of liberale zender te zijn. We geven de mening van de jonge generatie”.
Discussie over abortus na Down-test

Nederlands Dagblad 7 april 2005, ism John P. Elliott

Washington – In de Verenigde Staten laait de discussie rond abortus bij mogelijk gehandicapte kinderen weer op. Uit onderzoek is gebleken dat artsen nogal eens aandringen op een abortus bij zwangere vrouwen bij wie de test op het syndroom van Down positief is uitgevallen.

Uit het onderzoek waarvan de resultaten onlangs gepubliceerd zijn in The American Journal of Obstetrics and Gynecology, blijkt dat momenteel van de zwangere vrouwen die ‘positief’ zijn bevonden bij de Down-test ruim 80 procent een abortus laat plegen. Dat is vooral opmerkelijk, omdat de prenatale tests maar voor 60 tot 80 procent accuraat blijken. De kans dat gezonde kinderen worden geaborteerd, is dus aanzienlijk.

De Harvard University Gazette noemt het onderzoek 'de grootste en meestomvattende studie op het gebied van prenatale diagnose van het Down-syndroom'. Het onderzoek bevestigt wat een eerder onderzoek van de Canadian Royal Commissions on New Reproductive Technologies al in 1993 liet zien, namelijk dat 33 procent van de zwangere vrouwen die positief uit de Down-test kwamen, zich geprest voelde door de arts om een abortus te ondergaan.

Imago
Ook is het onderzoeksresultaat opvallend omdat het imago van Down-patienten steeds positiever wordt. Het Down-syndroom begint meer bekend te raken en wordt daardoor als minder erg ervaren. Organisaties als The Down Syndrome Congress en de National Association for Down Syndrome (NASD) proberen zwangere vrouwen zo objectief mogelijk informatie te geven over de ziekte en de mogelijkheden, waardoor vrouwen zien dat er meer opties zijn dan alleen maar abortus. Het feit dat medici die mogelijkheden niet aanbieden en vrouwen vaak ook niet doorverwijzen naar organisaties die dat wel kunnen, roept veel verontwaardiging op. In de eerste plaats natuurlijk bij pro-life organisaties. Robert Greer, voorzitter van de Pennsylvania Family Institute vindt dit soort praktijken 19e-eeuws; in die tijd hadden mensen met een afwijking nog geen rechten. “De dood is hiervoor niet de oplossing”, aldus Greer. Jim Sedlak, vice voorzitter van de Pro-life American Life League, vindt dat kinderen met het Down-syndroom weliswaar een zware uitdaging betekenen voor hun ouders, maar dat ze tevens vaak “meer liefde brengen dan een gezond kind”. Ann Garcia van de NASD denkt ook dat veel abortussen gepleegd worden uit onwetendheid over andere mogelijkheden. “Ik zou gezinnen adviseren om meer te kijken naar recent onderzoek. De uitkomsten daarvan zijn namelijk positiever over de capaciteiten en levensverwachting van een kind met het Down-syndroom, dan oudere studies. Dat is zo veel meer bemoedigend”.

Bron: CNS News

Recensie

De dagboeken van Sylvia Plath: een echt schrijversdagboek.

Babel april 2005

De Amerikaanse dichteres Sylvia Plath worstelde
tevergeefs haar leven lang om erkenning als schrijfster
te krijgen. In het laatste jaar van haar leven, als haar huwelijk met dichter Ted Hughes stukloopt, schrijft ze meer gedichten dan ooit. Deze gedichten bundelt ze onder de naam Ariel. Op haar dertigste pleegt ze zelfmoord. Ariel werd postuum uitgegeven en vestigde haar naam. Begin dit jaar heeft de Arbeiderspers de Nederlandse vertaling van Plath's dagboeken uitgegeven. Hiermee is een kijkje in haar leven nu ook voor Nederlandse Plath-liefhebbers toegankelijk.

De dagboeken 1950-1962 zijn de laatste twee dagboeken van Plaths leven. Toch zijn de dagboeken beperkt. Die beperking zit hem vooral in de geringe beschikbaarheid van het materiaal voor De dagboeken. Dit zijn de laatste twee dagboeken van haar leven. De schriften die aantekeningen bevatten over de periode waarin haar huwelijk stuk-loopt en ze de Ariel-gedichten schrijft- tot enkele dagen voor haar dood- zijn niet opgenomen in De dagboeken. Het ene schrift is door Hughes vernietigd, het andere zou spoorloos verdwenen zijn. Hierdoor blijft de lezer aan het eind met een leeg gevoel achter: van die laatste dramatische, maar wel belangrijke periode van haar leven zie je niets dan een korte samenvatting in vijf zakelijke zinnen op de laatste bladzijde.

Toch heeft deze beperking ook een voordeel. Haar man, de dichter Ted Hughes, is vaak verguisd door Plath-liefhebbers omdat hij haar zelfmoord op zijn geweten zou hebben. In de dagboeken komt de periode waarin het huwelijk op de klippen loopt dus niet voor, de liefde daarentegen des te beter. Plaths beschrijvingen van haar liefde voor Hughes zijn ontroerend mooi: ‘Ik geniet het voortdurende gezelschap van een echtgenoot die zo groots is, zo heerlijk ruikt, zo lang en zo reusachtig creatief is dat ik bijna denk dat ik hem verzonnen heb’. Ze noemt hem ‘de ideale, de enig mogelijke’ en hij is haar ‘grote, grote liefde’.

Wat ook voor gaten, en dus voor verwarring, in de dagboeken zorgt, is dat Plath (blijkbaar) niet in haar dagboek schreef tijdens roerige perioden. In het jaar waarin ze een zelfmoordpoging doet, schrijft ze geen letter in haar dagboek. Haar huwelijk en de geboorte van haar eerste kind worden niet beschreven. En ze beschrijft niet wanneer ze verhuist, wat regelmatig gebeurt. Dit zorgt voor op en neer bladeren om het als lezer allemaal bij te kunnen houden. De dagboeken zijn wel verdeeld in blokken, waarbij elke nieuwe periode wordt ingeleid met een korte tekst over die periode. Zo worden de gaten redelijk overbrugd en de aanvullende informatie toch gegeven. Maar voor iemand die nauwelijks iets over Plaths leven weet zal het boek wel een stuk oninteressanter en onduidelijker worden.

Wel komt Plath echt tot leven in de dagboeken. De overbekende feiten uit haar leven komen nauwelijks aan bod, maar de dagboeken geven een kijkje in haar dagelijks leven. Dates, irritaties, haar eetgewoonten, alles wordt uitgebreid beschreven. In die zin zijn de dagboeken ook ontnuchterend. Ze laten zien dat Plath een gewoon mens was, met haar eigen onhebbelijkheden. Zelfs wie geen gemystificeerd beeld van haar heeft, zal niet weten wat hij leest bij Plaths beschrijving van het neuspeuteren: ‘Soms zit er bloed in het snot, droge bruine korstjes of een plotseling oplichtend helder rood op de vinger die te ruw langs het slijmvlies in je neus heeft geschraapt. God, wat een seksuele voldoening!’.

Hoewel de dagboeken uit de periode 1950-1962 zijn, doen ze niet gedateerd aan. In sommige dingen is wel de tijdsgeest te lezen. Bijvoorbeeld in Plaths drang om een man te vinden om te trouwen. Ze voelt het als een verplichting om voor haar vijfentwintigste getrouwd te zijn, maar ze wil niet alleen de huisvrouw van haar man zijn, ze wil een eigen carrière. En ze vindt het moeilijk te verkroppen dat vrouwen geacht worden als maagd te trouwen terwijl mannen dat niet hoeven. Haar feminisme spreekt uit dit soort overtuigingen.

Natuurlijk zijn de dagboeken bij tijden deprimerend. Het is vooral triest om te lezen hoe Plath nergens rust kan vinden. Ze sleept zichzelf door een jaar als docente literatuur met de belofte daarna een jaar voor zichzelf te hebben om alleen maar te schrijven. Maar als ze dat jaar vrij heeft raakt ze maar niet aan het schrijven en wil ze weer meer een band met de buitenwereld, door bijvoorbeeld weer te gaan werken.

Voor wie van Plaths werk houdt zijn de dagboeken zeker de moeite waard. In de mooie beschrijvingen van bijvoorbeeld nachtelijke wandelingen en haar originele kijk op dagelijkse dingen is haar latere stem al te horen. Ook is het grappig om te zien hoe haar boek De glazen stolp tot in het kleinste detail is opgebouwd uit dingen uit haar eigen leven en hoe ze haar hele leven bezig is met die roman.
Daarom zijn de dagboeken ook voor mensen die zelf schrijven mooi en herkenbaar. Haar dagelijkse strijd met het blanco vel, de teleurstelling van afwijzingen, huilbuien van walging bij het teruglezen van oude verhalen, ochtendmisselijkheid uit angst om slecht te schrijven. Maar uiteindelijk komt ze toch altijd weer uit op die allesoverheersende drang tot schrijven: ‘Het allerergst, erger dan wat dan ook, zou een leven zonder schrijven zijn’.

4 sterren
Aan de bak als journalist? Opleiding Journalistiek is een must.

Babel februari 2005

Ze bestaan echt: personeelsadviseurs bij weekbladen die zeggen dat ze 'een zwak hebben voor mensen die in de schoolkrant schreven'. Jammer dus voor die mensen die hun journalistieke ambities pas na hun 16e ontdekten. Gelukkig zijn er ook voor deze mensen nog genoeg mogelijkheden om hun droombaan te bemachtigen. Een van deze mogelijkheden zijn de masters journalistiek die de UvA sinds een paar jaar heeft. Maar het is niet makkelijk om toegelaten te worden tot die opleiding en het afronden van zo'n traject geeft nog geen zekerheid om ook echt de journalistiek in te komen. Hoe moeilijk is het eigenlijk om een voet tussen de deur van de journalistiek te krijgen en wat voegt een afgeronde opleiding journalistiek daar eigenlijk aan toe?

Journalist is een vrij beroep. Iedereen met een goede pen en een goed idee kan proberen als freelancer zijn stukken aan bladen en kranten te verkopen. Dat is een goede zet om binnen te komen. Wie regelmatig een stuk geplaatst krijgt, valt op bij de redactie en maakt een goede kans zo door te kunnen stromen. Maar schrijvers die hun brood als freelancer kunnen verdienen, zijn vaak zo aan hun vrijheid gehecht dat ze vaak geen vaste baan meer ambiëren.

Wie het freelancen niet zo ligt moet een andere weg vinden. De opleidingen journalistiek zijn daar een prima manier voor. Hoewel veel universiteiten in Nederland sinds enkele jaren ook opleidingen journalistiek aan bieden waren er van oudsher alleen vier hbo-opleidingen journalistiek in Utrecht, Tilburg, Ede en Zwolle. De opleidingen kregen een numerus fixus omdat er zich altijd meer studenten aanmelden dan geplaatst kunnen worden. Dit komt onder andere doordat de meeste mensen er nog steeds een te romantisch beeld van de journalistiek op na houden. Dit geeft het blad De Journalist ook aan in hun onderzoek naar journalisten in Nederland. De meeste beginnende studenten zijn idealistisch over het vak en willen allemaal bij de landelijke media werken. Maar het invoeren van een numerus fixus is ook noodzakelijk in het kader van de krappe journalistieke arbeidsmarkt, om de instroom enigszins te reguleren.

Deze problemen hebben de masteropleidingen journalistiek op de UvA niet. Zij hebben geen numerus fixus omdat ze een toelating hebben. In de omschrijving van de master op de UvA-site staat duidelijk omschreven dat de deelnemers 'aantoonbare affiniteit' moeten hebben met het werkveld. Dat wil zeggen dat ze dus al bij kranten, bladen of omroepen moeten hebben gewerkt. Op deze manier zijn ze bekend met de realiteit van het vak. Bovendien zijn deze studenten ouder dan de net van de middelbare school afkomstige eerstejaars op het hbo, omdat ze al een universitaire studie hebben afgerond. Hiermee springt de master Journalistiek en Media handig in op de roep om verbreding en verdieping die steeds meer vanuit de journalistiek komt. De master wil studenten opleiden die in staat zijn om 'ingewikkelde kennis te bevatten en te vertalen voor een breder publiek – of het nu gaat om de ontwikkelingen in de economie, of om de culturele en historische achtergronden van de islamitische wereld', aldus de site.

Hierdoor ontstaat er concurrentie tussen de hbo-afgestudeerde journalisten en de academici die de arbeidsmarkt opkomen. De universiteiten breiden hun activiteiten om journalisten op te leiden uit, terwijl de hogescholen hun onderwijsmethoden vernieuwen en hun band met de arbeidsmarkt proberen te versterken. Veel afgestudeerde hbo-ers voelen deze concurrentie aan maken ook de stap naar de universiteit. Hoewel elke universitaire studie een verdieping is op een dergelijke opleiding, bied de UvA ook een master aan voor afgestudeerde journalisten: Journalistiek en communicatiewetenschap. Deze master biedt met name verdieping op het gebied van het gebruik en interpretatie van de diverse (nieuwe) media, en is hierdoor toch essentieel anders dan de master journalistiek en media. Deze master is erop gericht kennis en inzicht te vergroten waardoor de concurrentiepositie op de arbeidsmarkt van de afgestudeerde masters toe zal nemen.

Ondanks dit streven geeft het Elsevier beroepenonderzoek nog steeds aan dat de gemiddelde afgestudeerde hbo-er aan de opleiding journalistiek en voorlichting binnen een half jaar een baan op zijn eigen niveau heeft, terwijl dit voor de gemiddelde afgestudeerde geesteswetenschapper (er zijn geen duidelijke cijfers over hoelang dit duurt bij de mensen die een van de masters journalistiek hebben afgerond, al vinden die volgens master coördinator dr. Frank van Vree wel nagenoeg allemaal een baan in de journalistiek) twee keer zo lang duurt.
Dat het heel moeilijk is om een concreet profiel van de 'gewilde' journalist te maken geeft ook Martine Rasing, chef redactiesecretariaat van De Volkskrant toe: "Het is een combinatie van meerdere factoren. Je hebt natuurlijk de normale intelligentie van iemand, brede interesse en het talent voor schrijven. Veel mensen die bij ons werken hebben een brede achtergrond, vaak ook wetenschappelijk." Dit klinkt allemaal redelijk algemeen, om op te vallen moet je jezelf profileren: "Iedereen heeft een specialiteit. Wie ergens anders heeft gewoond en veel heeft gedaan heeft natuurlijk meer kans om hier te werken dan iemand die minder heeft gedaan". Maar als jezelf profileren en ervaring opdoen en hebben het verschil uitmaakt, voegt een opleiding journalistiek dan nog wel iets toe? Daar is Rasing duidelijk over: "Behalve de ouderen heeft iedereen hier journalistiek gestudeerd. Dat is wel een must".

Recensie

Why do people hate America? Roept meer vragen dan antwoorden op

Babel december 2004

Dat veel mensen gevoelens van antipathie koesteren tegen Amerika is niets nieuws. De nasleep van de aanslagen op Amerika van 11 september 2001 heeft voor veel negatieve gevoelens gezorgd. Er zijn sindsdien meerdere boeken verschenen die ingaan op de vraag waarom Amerika in zo’n slecht daglicht staat. Een van die boeken is de internationale bestseller Why do people hate America?. Het boek is dit jaar verschenen in een nieuwe uitgave, en is toe aan zijn achtste druk.

“Why do they hate us?”, vraagt een vrouw kort na de aanslagen via de camera van een journalist aan de wereld. Deze vraag, die Amerikanen zichzelf sinds 9/11 wel vaker hebben gesteld, is het uitgangspunt geworden van het boek Why do people hate America? Het is een legitieme vraag, die meteen iets zegt over het gebrek aan inzicht dat Amerikanen hebben in hoe hun acties overkomen op de rest van de wereld. Tot zover dus een veelbelovend begin van een boek dat lijkt in te spelen op actuele gevoelens. Helaas reikt dat veelbelovende begin niet veel verder dan de kaft.

Het eerste dat opvalt bij het openslaan van het boek is dat de auteurs Ziauddin Sardar en Merryl Wyn Davies niet Amerikaans zijn, maar Engels. De vraag ‘Why do they hate us?’ is dus ingepikt door twee Britten die meer dan welwillend zijn deze vraag voor de Amerikanen te beantwoorden. En niet alleen dat: ze geven er ook nog eens gratis en voor niets tips en adviezen bij hoe Amerika het beter zou kunnen doen. Aan Europese zelfingenomenheid dus geen gebrek.

De auteurs proberen aan het begin van het boek het doel dat ze ermee hebben uiteen te zetten: ‘Our purpose in this book is to argue that hatred is the worst possible basis for human relations, especially between nations’, maar als een erg helder doel klinkt dit niet. Ook wekken ze de indruk dat hun boek goed beargumenteerd is, maar ze geven alvast even een vooruitblik op het traktaat dat komen gaat met de zin: ‘This is not a book about the positives sides of the United States: those looking for a straightforward counterblast to the hatred expressed for America should stop reading now’. En daarmee voel je eigenlijk al een beetje aan welke kant het boek opgaat. Het boek doet namelijk denken aan Stupid White Men van Michael Moore. “Maar dan slechter”, voegt prof.dr. Ruud Janssens, hoogleraar Amerikanistiek, met wie ik in gesprek ging over dit boek, direct toe. “Michael Moore is zelf Amerikaan, dus dan bekritiseert hij in ieder geval nog zijn eigen land”.

Vervolgens wordt er in het boek een opsomming van redenen, culturele fenomenen, vlagen geschiedenis en lijsten met militaire interventies en economische manipulaties gegeven. Dit alles om aan te geven dat het bijna onmogelijk is om positief te zijn over Amerika. “Het is een mix van alles en veel dingen zijn niet duidelijk uitgewerkt. Hierdoor is Why do people hate America? een beetje verwarrend en roept het meer vragen dan antwoorden op”, aldus Janssens. “Bovendien zijn er in het boek geen onderzoeken opgenomen die laten zien hoeveel mensen er nu werkelijk negatief denken over Amerika, terwijl die er wel zijn. Er is weinig nieuw onderzoek gedaan in het boek om de onderbouwing te verbeteren, waardoor de argumenten die de schrijvers aandragen een beetje losse flodders worden".

Maar misschien wel de belangrijkste kritiek die Janssens heeft op Why do people hate America? is dat hij het boek niet genuanceerd genoeg vindt. “Het is net zoals met die mensen die mensen die de ruiten van de McDonalds ingooien, maar wel een Levi’s spijkerbroek dragen. Blijkbaar kan dat samengaan. Mensen vinden sommige dingen van een bepaalde cultuur niet goed en andere dingen wel. Ze pikken eruit wat ze aanspreekt. Op die manier is de Amerikaanse invloed wel aanwezig, maar niet overheersend. Een cultuur veramerikaniseert niet meteen. Mensen beslissen uiteindelijk zelf wat ze wel en niet accepteren”. Dergelijke nuanceringen zijn in het boek nauwelijks te vinden. Daar wordt vurig gesproken over de wereldwijde culturele overheersing die Amerika constant probeert te verkrijgen en over de expansiedrift die het land zou hebben. Ook dat ziet Janssens anders: “Amerika zit in Afghanistan en Irak en daar willen ze het liefst zo snel mogelijk weg”. Volgens hem zit de Amerikaanse expansiedrang vooral in de economie. “Amerikaanse bedrijven willen winst maken en handelen in het belang van het verkrijgen van winst. Dat ze daarvoor in landen gaan zitten die lagere lonen hebben is misschien niet goed, maar zo werkt het wel”.

Why do people hate America? Zit vol met uitspraken en veronderstellingen waar dergelijke nuanceringen op losgelaten kunnen worden. Voor wie een fervent Amerika-hater is en graag nog eens bevestigd wil worden in zijn vooroordelen over alle slechte dingen die Amerika doet, is dit misschien een smakelijk hapje. Wie echter wat meer over het onderwerp wil weten en graag eens nieuwe punten en invalshoeken wil lezen, kan zich bij dit boek de moeite van het lezen besparen.

2 sterren

De ménsen worden vaak vergeten in de procesindustrie

Cursor 23 mei 2002

Ondanks tal van beveiligingssystemen voor installaties in de procesindustrie, zoals onder meer olieraffinaderijen, gebeuren er toch nog regelmatig ongelukken. In tegenstelling tot wat tot dusver gedacht werd, blijkt het falen van de beveiligingssystemen vaak organisatorische, in plaats van technische oorzaken te hebben. Dr.ir. Bert Knegtering heeft voor zijn promotie onderzocht hoe je structuur kunt aanbrengen in de toenemende complexiteit van installaties en beveiligingen bij bedrijven zodat eventuele problemen kunnen worden opgespoord en opgelost.

“In de procesindustrie is men ten aanzien van veiligheidsmaatregelen nog steeds erg gefocust op technologie en wordt het organisatorische deel nog wel eens onderschat. Een pomp die faalt wordt gezien als een technisch mankement, maar toch blijkt vaak dat het een organisatorisch probleem is, bijvoorbeeld door gebrekkig onderhoud. Het heeft met mensen te maken en daar is men vaak maar weinig mee bezig”, zegt Knegtering.Bert Knegtering (34) studeerde Werktuigbouwkunde aan de TU/e. In 1995 studeerde hij af en vanaf 1996 werkt hij bij Honeywell Safety Management Systems BV in Den Bosch. De keuze voor het onderwerp van zijn promotieonderzoek lag redelijk voor de hand aangezien Knegtering veiligheidsconsultant is in de procesindustrie. “Ik had al een aantal artikelen geschreven over dit onderwerp voor Honeywell, in samenwerking met de TU/e. Daarna ben ik begonnen aan mijn onderzoek aan de faculteit Technologie Management.”Knegtering begint zijn proefschrift met een soort steekproef waarin hij als voorbeeld een overzicht geeft van hoeveel ongelukken er binnen een maand plaatsvonden in de procesindustrie in de hele wereld. In dit overzicht zijn veertien ongelukken weergegeven, waarbij sommige ernstige gevolgen hadden, zoals gewonden, doden of aanzienlijke milieuvervuiling. Het gaat hierbij vooral om ontsnapping van chemische stoffen, explosies en brand. “Er zijn twee soorten instrumentele beveiligingen”, zegt Knegtering. “Automatische beveiligingen en alarmen. Bij automatische beveiligingen wordt bijvoorbeeld in geval van overdruk in een tank automatisch een klep opengedaan waardoor de inhoud van de tank weg kan. In de installatie zitten overal sensoren die signalen doorgeven aan een zogenoemde logic solver. Dit is een computer die automatisch een bepaalde actie aanstuurt als reactie op de door de sensoren afgegeven signalen.” De beveiligingsmanier door middel van alarmen werkt anders. Vaak zijn het meerdere alarmen na elkaar die een signaal geven dat er iets dreigt mis te gaan of mis is gegaan. Het is dan aan de operator, een persoon die de installatie in de gaten houdt, om in te grijpen. En daar gaat het vaak mis. “Veel operators weten lang niet altijd hoe te reageren op een alarm”, zegt Knegtering. “Deze manier van beveiliging is dus afhankelijk van de operator. Er is geen automatische beveiliging, de operator moet ingrijpen en de menselijke factor voor wat betreft zijn betrouwbaarheid is moeilijk in te schatten.”

Levenscyclusmodellen
Een bijkomend probleem is dat het steeds moeilijker wordt om procesinstallaties te beveiligen. “De installaties worden steeds groter en complexer en het wordt daarom steeds moeilijker te overzien wat er allemaal mis kan gaan. De beveiligingsinstallaties worden daarom dus óók steeds complexer. Er zijn drie dingen waarmee je rekening moet houden: de complexiteit van de procesinstallatie, de complexiteit van de organisatie en de complexiteit van de beveiliging zelf”, legt Knegtering uit. “Iedere procesinstallatie is uniek. De beveiliging zelf niet, die wordt meestal opgebouwd uit standaardonderdelen. Maar het geheel van delen, de compilatie, maakt ook de beveiliging van elke installatie uniek.” Er is een aantal organisaties dat normen en kwaliteitseisen vaststelt voor de veiligheid van (proces) installaties. Hierbij wordt sinds kort gebruik gemaakt van de zogenoemde ‘safety lifecyclemodels’, levenscyclusmodellen. Dit zijn modellen waarin de levenscyclus van een procesbeveiliging is weergegeven, aangaande het ontwerp en gebruik van deze beveiliging. Op basis van deze levenscyclusmodellen worden eisen gesteld aan alle fasen van de beveiliging. “Het is belangrijk dat iedereen die met een procesinstallatie werkt, weet in welke fase van het levenscyclusmodel hij actief is”, zegt Knegtering. Het model moet volgens de juiste volgorde worden gevolgd om de veiligheid te kunnen waarborgen. Het is dan ook belangrijk dat mensen goed weten hoe ze met de modellen moeten omgaan. De manier van die informatieoverdracht tussen mensen tijdens de verschillende fasen blijkt lang niet altijd goed te gaan. In zijn onderzoek heeft Knegtering dan ook onderzocht hoe die informatiestromen tussen mensen lopen en hoe je kunt nagaan of die stromen kwalitatief wel goed genoeg zijn.

Analysetechniek
Een van de onderzoeksvragen van Knegterings onderzoek was: Hoe laat je bedrijven in de procesindustrie op een goede manier gebruik maken van de safety lifecyclemodels?Daaruit vloeit een aantal andere vragen voort, namelijk: Hoe kan een levenscyclusmodel worden gebruikt om de veiligheidsgerelateerde bedrijfsprocessen te verbeteren? Wat houdt elke fase van het model precies in en wat bepaalt de kwaliteit van die fase? Hoe zijn de fases, de kwaliteit en de informatiestromen tussen de fases met elkaar verbonden? En hoe kun je dit alles meten en wanneer weet je of er aanpassingen moeten worden gedaan binnen het safety management? Om antwoord te krijgen op deze vragen heeft Knegtering bij elf bedrijven in verschillende landen en verschillende takken van de procesindustrie case-studies gedaan. Aan de hand van de levenscyclusmodellen heeft hij met de bedrijven geanalyseerd hoe de veiligheid van hun procesinstallaties ervoor staat en wat de kwaliteit van hun safety management is. Dit wordt onder andere gemeten aan de hand van het aantal ongelukken dat bij een bedrijf gebeurt. Op deze manier heeft hij een analysetechniek voor veiligheidsgerelateerde informatie ontwikkeld, de MIR-based SLM analysis technique. (SLM staat voor Safety Lifecycle Management en MIR voor Maturity Index on Reliability-red.) Met deze analysetechniek kan het gehele veiligheidsbeheerssysteem van een procesinstallatie stap voor stap worden gecontroleerd op potentiële problemen. En dat blijkt te werken. “Ogenschijnlijk simpele problemen bleven vaak onopgemerkt voor de organisatie”, zegt Knegtering. “Maar met deze techniek kunnen ze wel goed worden opgemerkt en vervolgens worden opgelost.”

Dubbele job
Afgelopen vrijdag verdedigde Knegtering zijn proefschrift. In december 1998 is hij begonnen met zijn promotie. Hij heeft dus ruim binnen vier jaar zijn onderzoek afgerond, maar dat was niet altijd even makkelijk. “Ik ben gaan promoveren naast mijn werk”, zegt Knegtering. “Ik heb in die periode dus eigenlijk een dubbele job gehad. Gelukkig heb ik wel gebruik kunnen maken van de ervaring die ik tijdens mijn werk heb opgedaan voor mijn onderzoek. Dat is een voordeel, ik heb mijn onderzoek in de praktijk kunnen uitvoeren.” Dat ligt dan ook in de lijn van wat hij in de toekomst met de bevindingen van zijn onderzoek wil bereiken. “Ik wil een vertaalslag maken naar de praktijk, bijvoorbeeld door het implementeren van de ontwikkelde analysetechniek in softwarepakketten. Daarbij wil ik nauw blijven samenwerken met mijn collega’s aan de TU/e”, legt Knegtering uit.Naast zijn werk en promotie is Knegtering actief blijven sporten. “Ik doe veel aan zeilen en roeien. Ik ben nog steeds lid van de studentenroeivereniging Thêta. Misschien wel vermoeiend, maar ik denk dat het juist heel goed is om toch in de weekenden iets actiefs te doen. Er echt helemaal uit zijn. Als je dan terugkomt, heb je weer de nodige inspiratie.”/.

Reportage Geen Daden Maar Woorden


“Je hoeft er geen lijn in te ontdekken hoor!”

Cursor 2 mei 2002

Foto: Bart van Overbeeke

“De paus is helemaal vergroeid, omdat hij zichzelf wil pijpen”, roept Jules Deelder terwijl hij voorover buigt om te laten zien wat hij precies bedoelt. Het publiek ligt dubbel en reageert luid op Deelder. De ene keer met ‘oh’s’ die doen verraden dat Deelder misschien wel erg ver gaat, de andere keer klinkt er een ‘respect!’. Je zou het misschien niet meteen denken, maar toch is het optreden van Deelder literatuur. Vorige week donderdag was hij één van de zestien acts op het literaire festival ‘Geen Daden Maar Woorden’ (GDMW) dat in het Gaslab op de TU/e werd gehouden.

“Ik ben hier voor het bier!”, zegt een enigszins jolige Bart Haazen, derdejaars student Bouwkunde aan het eind van de avond. De sfeer zit er tegen die tijd al goed in, maar dat was aan het begin van de avond wel anders. Het Gaslab biedt ruimte aan zo’n tweehonderd bezoekers, maar die waren er toen bij lange na niet. Terwijl er langzaamaan mensen binnendruppelen, die allemaal op een veilige afstand van drie meter voor het podium blijven staan, bijt om even voor negen dichteres Tjitske Jansen het spits af. Zij leest haar gedichten voor aan een publiek dat nog moet wennen aan het hele gebeuren. Er wordt gestaan, gezeten, rondgekeken, onderzocht. Er wordt door Jansens voordracht heen gepraat maar ook in stilte geluisterd. Het lijkt alsof de toehoorders nog bezig zijn zichzelf een houding te geven. Jansen leest intussen flink door, het ene gedicht na het andere. “Je hoeft er geen lijn in te ontdekken hoor”, zegt ze bemoedigend tegen het publiek. GDMW is ontstaan in Rotterdam. Daar werd in 1995 het literaire tijdschrift Passionate opgericht. Later werd daar het festival aan verbonden, dat in Rotterdam dit jaar zijn zesde editie gaat beleven. “Het is de bedoeling dat het een landelijk festival gaat worden”, zegt Bert Heemskerk van Passionate, “Vorig jaar was het festival in Utrecht, dit jaar in Eindhoven en volgend jaar willen we verder uitbreiden.” Het festival is in samenwerking met Studium Generale georganiseerd. SG heeft ook het Gaslab als locatie voorgedragen. Het festival was tevens de officieuze ingebruikname van het verbouwde Gaslab. Hoewel het lab lelijk aandoet, met betonnen vloeren en niet weggewerkte buizen, is die rauwe uitstraling perfect voor dit soort evenementen. Als je binnenkomt waan je jezelf bijna op een undergroundfeest.

Literaire snoepdoos
Het programma van GDMW is opgebouwd volgens de festivalmanier, met meerdere podia. Twee in dit geval. Een literaire snoepdoos waar iedereen uit kan kiezen wat hij/zij lekker vindt. Beneden staat iets wat door moet gaan voor een hoofdpodium. Hier staan bekende acts, zoals Jules Deelder, Extince en cabaretier Javier Guzman. Een verdieping hoger kan een gevarieerd programma worden gevolgd waarin poëzie, proza, theater, film en animatie aan bod komen. De uitspraak van Tjitske Jansen lijkt van toepassing te zijn op het festival zelf, want toeschouwers kunnen vrij heen en weer lopen om te gaan bekijken wat ze willen zien. Het idee is goed, de uitwerking wat minder. Het programma boven was intiemer en vooral minder luidruchtig dan het benedenprogramma. De toneelmonoloog ‘Morph’ die boven wordt uitgevoerd, gaat over slaap. Het stuk moet bij tijden heel zacht worden gespeeld, en is dan onhoorbaar door de geluiden van beneden die toch door de gesloten deur sijpelen. Dat is jammer. Floor Haakman, die voorleest uit haar boek ‘Oneetbaar brood’ moet hard haar best doen om boven de herrie van beneden uit te komen. “Heel storend”, vindt bezoekster Paulien Oltheten dat. “Vooral als iemand hier een persoonlijke tekst aan het voorlezen is.” Daarnaast was het ook de bedoeling dat de deur van het zaaltje boven dicht bleef tot na elke voorstelling. Toch werd niet voorkomen dat er veel in- en uitloop was. Hoewel GDMW een literair festival is, heeft het meer te bieden dan alleen voordrachten en lezingen die op de traditionele manier worden gebracht, want de snelheid blijft er gedurende de avond in. Zowel door de organisatie, die het programma zo in elkaar heeft gezet dat alle verschillende optredens niet langer dan maximaal vijftien minuten duren, als door de schrijvers zelf, die hun act over het algemeen kort en krachtig neerzetten. Je vervelen is er niet bij. Ook komen veel facetten van de literatuur aan bod. Zo was er Maaike Hartjes, een striptekenares die de lachers op haar hand kreeg met haar autobiografische stripje ‘Maaike’s Dagboekje’. Het stripje werd geprojecteerd op een scherm en verteld door haarzelf. Jogchem Niemandsverdriet bracht interactieve poëzie. Het lijkt inmiddels wel een trend te zijn om poëzie zo flitsend mogelijk te brengen. “Dat klopt”, zegt Heemskerk, “maar het werkt wél. Poëzie is erg populair.” Een aantal van de acts op het festival waren eigen producties, producties gestimuleerd door Studium Generale. De toneelmonoloog ‘Morph’ bijvoorbeeld, over een vrouw met de vermoeidheidsziekte ME, werd speciaal voor GDMW geschreven door Marcel Roelofsma. Hij schreef dit indrukwekkende stuk over zijn vrouw die aan deze ziekte lijdt. Het bovenzaaltje stond tijdens deze voorstelling dan ook vol met mensen die doodstil het gepraat volgden van een vrouw die bijna gek wordt van slapeloosheid. Ook ‘TIU: de omgekeerde wereld van het UIT-bord’ was een eigen productie. TIU bestaat uit de muzikanten Frans van Gastel (zesdejaars Bouwkunde) en Willem Jansen, dichter Ben van der Wel en danser Stefan Ernst. Deze duwde een aantal toeschouwers rood-wit lint in hun handen en zette zo zijn eigen dansvloer af, midden in het publiek. Op drie plekken werd zo een strakke dans uitgevoerd. Totaal anders was de animatie ‘You kissed Lilly’ van striptekenaar Floris Oudshorn. De combinatie van een animatiefilm, vage, ruziënde stemmen en overheersende rockmuziek gingen door merg en been. Verder droeg Trudy van Lokven, studente Bouwkunde aan de TU/e en winnares van de Write Now! schrijfwedstrijd van Passionate, haar winnende verhaal voor.De sfeer kwam er echter pas goed in toen later op de avond de populaire rapper Extince optrad. Hier en daar begon een enkeling mee te dansen. Daarmee werd het literair festival langzaam een literair feest. “Ik vind het heel relaxed”, zegt Stijn Kemper over het festival. “Maar ik kan niet meer vertellen, want Jules Deelder moet nu en voor hem ben ik hiernaartoe gekomen”, vervolgt hij. Zijn aandacht ligt al bij het podium waar Deelder inmiddels opgeklommen is. Deelder pakt het publiek volledig in. De avond wordt afgesloten met cabaretier Javier Guzman, die voor een laatste lachkick zorgt voor de afterparty begint.

Alternatief
Het publiek dat op de avond afkwam was vooral jong en redelijk alternatief. Zeker voor TU/e-begrippen. Hoewel de nadruk van het festival op literatuur ligt, waren de bezoekers zeker niet allemaal literatuurfreaks. Iedereen had z’n eigen redenen om te komen kijken. Zoals het bier. “Nee hoor, even serieus”, verbetert Haazen zichzelf. “Ik ben hier omdat ik dit soort lezingen interessant vind. Vooral boven vind ik het leuk. Beneden is het minder, dat is meer populair.” Hoewel de meeste bezoekers beneden stonden, vonden veel mensen dat het programma van boven meer te bieden had. Zo ook Paulien Oltheten: “Ik vind het leuk dat er gewoon verhalen worden voorgelezen. Dat gebeurt niet meer zo vaak. En ik vond de animatie erg leuk om te zien, want ik doe zelf kunstacademie”. Kurt op den Brouw, derdejaarsstudent Bouwkunde, wil ook wel een reactie geven op wat hij van het festival vindt. “Maar ik ben wel dronken”, zegt hij er als waarschuwing bij. “Meestal staan bekende schrijvers in het middelpunt van de belangstelling”, vervolgt hij, “Ik vind het leuk dat hier ook minder bekende schrijvers aan bod komen. Anders zou je niet met hun werk in aanraking komen. Dat is mooi”.

Interview

Jeroen Willems: “Ik vind wel dat God foutjes heeft gemaakt".

Cursor 14 maart 2002

Foto: Bart van Overbeeke



Sinds ZT Hollandia begin vorig jaar naar Eindhoven is verhuisd, reist acteur Jeroen Willems (onder andere van ‘Voices’ en ‘Nynke’) dagelijks vanuit zijn woonplaats Amsterdam per trein naar Eindhoven. Zeker deze dagen is hij veel in Eindhoven, want hij is één van de spelers in het toneelstuk ‘GEN [What dare I think]’ dat op dit moment op de TU/e loopt. Toch is hij bewust niet verhuisd naar Eindhoven, want in Amsterdam heeft hij zijn leven.

“Nou ja, mijn leven… Ik heb geen leven!”, zegt Jeroen Willems (39). Een grapje, want natuurlijk heeft hij een leven. Toch is het een veelzeggende opmerking van een man die leeft voor toneel, film en regie. “Als ik vrij heb, lees ik nieuwe stukken door. Of werk ideeën uit.” Willems’ leven draait al sinds zijn jeugd om acteren. Zijn ouders speelden toneel en sinds zijn zestiende jaar is ook hij lid van toneelclubs. Daarna ging Willems naar de toneelschool in Maastricht. “Ik wist toen niet precies waarom ik de toneelschool wilde doen. Ik had allerlei romantische illusies over dat vak. Maar als ik naar toneel keek, dacht ik: ‘dat is wat ik wil doen, ik wil ook daar staan’.” Een goede keuze, want Willems is inmiddels een veelgevraagd speler. Naast toneelspelen schrijft hij zelf stukken, hij regisseert, speelt in films en geeft les op toneelscholen.

Willems komt dus uit een compleet andere wereld dan het wetenschapsklimaat van de TU/e. Toch is hij nu met het toneelstuk ‘GEN’, een stuk over gentechnologie, hier beland. En wel in het Laboratory of Themo Fluids Engineering. “Ik vind het bijzonder om op die plek te zijn. Het is wel een moeilijke ruimte om in te spelen. Heel richtingloos. Maar het is echt een onderzoeksplek en dat is het stuk zelf ook.” ‘GEN’ gaat over drie genetisch gemanipuleerde mensen die terugkijken op de mensheid zoals die nu is.

Maar hoe speel je zo iemand? En hoe speel je iemand waar je misschien niet achter staat? “De essentie is altijd hetzelfde”, zegt Willems. “Je moet altijd onderzoeken waarom iemand zo is, of zo geworden is. Uiteindelijk moet je van die persoon gaan houden. Je moet het lekker vinden dat personage te zijn, al speel je Hitler.” Willems heeft zelf nog geen duidelijke mening over gentechnologie. “Ik ben er niet vóór denk ik”, zegt hij bedenkelijk, “Maar ik vind wel dat God foutjes heeft gemaakt. Er is erg veel ellende in de wereld. Ik wens niet te accepteren dat het leven is zoals het is. Ik heb niet het idee de wereld te kunnen verbeteren, maar kaart wel dingen aan. Zoals in ‘GEN’. Ik hoop dat mensen zich echt dingen gaan afvragen na het zien van ‘GEN’. Aan de andere kant zijn er ook vast wel dingen goed aan gentechnologie. Misschien talmen we er over twintig jaar niet eens meer naar, omdat het dan al gewoon is.” Heeft Willems nog een eigen utopie? “Ik weet niet of ik in utopie geloof. Het is te dogmatisch en ik hou niet van dogma’s. Dat wil trouwens niet zeggen dat ik alles maar accepteer. Ik geloof gewoon meer in samen tot iets goeds komen”.