Recensie
De dagboeken van Sylvia Plath: een echt schrijversdagboek.
Babel april 2005

De Amerikaanse dichteres Sylvia Plath worstelde
tevergeefs haar leven lang om erkenning als schrijfster
te krijgen. In het laatste jaar van haar leven, als haar huwelijk met dichter Ted Hughes stukloopt, schrijft ze meer gedichten dan ooit. Deze gedichten bundelt ze onder de naam Ariel. Op haar dertigste pleegt ze zelfmoord. Ariel werd postuum uitgegeven en vestigde haar naam. Begin dit jaar heeft de Arbeiderspers de Nederlandse vertaling van Plath's dagboeken uitgegeven. Hiermee is een kijkje in haar leven nu ook voor Nederlandse Plath-liefhebbers toegankelijk.
De dagboeken 1950-1962 zijn de laatste twee dagboeken van Plaths leven. Toch zijn de dagboeken beperkt. Die beperking zit hem vooral in de geringe beschikbaarheid van het materiaal voor De dagboeken. Dit zijn de laatste twee dagboeken van haar leven. De schriften die aantekeningen bevatten over de periode waarin haar huwelijk stuk-loopt en ze de Ariel-gedichten schrijft- tot enkele dagen voor haar dood- zijn niet opgenomen in De dagboeken. Het ene schrift is door Hughes vernietigd, het andere zou spoorloos verdwenen zijn. Hierdoor blijft de lezer aan het eind met een leeg gevoel achter: van die laatste dramatische, maar wel belangrijke periode van haar leven zie je niets dan een korte samenvatting in vijf zakelijke zinnen op de laatste bladzijde.
Toch heeft deze beperking ook een voordeel. Haar man, de dichter Ted Hughes, is vaak verguisd door Plath-liefhebbers omdat hij haar zelfmoord op zijn geweten zou hebben. In de dagboeken komt de periode waarin het huwelijk op de klippen loopt dus niet voor, de liefde daarentegen des te beter. Plaths beschrijvingen van haar liefde voor Hughes zijn ontroerend mooi: ‘Ik geniet het voortdurende gezelschap van een echtgenoot die zo groots is, zo heerlijk ruikt, zo lang en zo reusachtig creatief is dat ik bijna denk dat ik hem verzonnen heb’. Ze noemt hem ‘de ideale, de enig mogelijke’ en hij is haar ‘grote, grote liefde’.
Wat ook voor gaten, en dus voor verwarring, in de dagboeken zorgt, is dat Plath (blijkbaar) niet in haar dagboek schreef tijdens roerige perioden. In het jaar waarin ze een zelfmoordpoging doet, schrijft ze geen letter in haar dagboek. Haar huwelijk en de geboorte van haar eerste kind worden niet beschreven. En ze beschrijft niet wanneer ze verhuist, wat regelmatig gebeurt. Dit zorgt voor op en neer bladeren om het als lezer allemaal bij te kunnen houden. De dagboeken zijn wel verdeeld in blokken, waarbij elke nieuwe periode wordt ingeleid met een korte tekst over die periode. Zo worden de gaten redelijk overbrugd en de aanvullende informatie toch gegeven. Maar voor iemand die nauwelijks iets over Plaths leven weet zal het boek wel een stuk oninteressanter en onduidelijker worden.
Wel komt Plath echt tot leven in de dagboeken. De overbekende feiten uit haar leven komen nauwelijks aan bod, maar de dagboeken geven een kijkje in haar dagelijks leven. Dates, irritaties, haar eetgewoonten, alles wordt uitgebreid beschreven. In die zin zijn de dagboeken ook ontnuchterend. Ze laten zien dat Plath een gewoon mens was, met haar eigen onhebbelijkheden. Zelfs wie geen gemystificeerd beeld van haar heeft, zal niet weten wat hij leest bij Plaths beschrijving van het neuspeuteren: ‘Soms zit er bloed in het snot, droge bruine korstjes of een plotseling oplichtend helder rood op de vinger die te ruw langs het slijmvlies in je neus heeft geschraapt. God, wat een seksuele voldoening!’.
Hoewel de dagboeken uit de periode 1950-1962 zijn, doen ze niet gedateerd aan. In sommige dingen is wel de tijdsgeest te lezen. Bijvoorbeeld in Plaths drang om een man te vinden om te trouwen. Ze voelt het als een verplichting om voor haar vijfentwintigste getrouwd te zijn, maar ze wil niet alleen de huisvrouw van haar man zijn, ze wil een eigen carrière. En ze vindt het moeilijk te verkroppen dat vrouwen geacht worden als maagd te trouwen terwijl mannen dat niet hoeven. Haar feminisme spreekt uit dit soort overtuigingen.
Natuurlijk zijn de dagboeken bij tijden deprimerend. Het is vooral triest om te lezen hoe Plath nergens rust kan vinden. Ze sleept zichzelf door een jaar als docente literatuur met de belofte daarna een jaar voor zichzelf te hebben om alleen maar te schrijven. Maar als ze dat jaar vrij heeft raakt ze maar niet aan het schrijven en wil ze weer meer een band met de buitenwereld, door bijvoorbeeld weer te gaan werken.
Voor wie van Plaths werk houdt zijn de dagboeken zeker de moeite waard. In de mooie beschrijvingen van bijvoorbeeld nachtelijke wandelingen en haar originele kijk op dagelijkse dingen is haar latere stem al te horen. Ook is het grappig om te zien hoe haar boek De glazen stolp tot in het kleinste detail is opgebouwd uit dingen uit haar eigen leven en hoe ze haar hele leven bezig is met die roman.
Daarom zijn de dagboeken ook voor mensen die zelf schrijven mooi en herkenbaar. Haar dagelijkse strijd met het blanco vel, de teleurstelling van afwijzingen, huilbuien van walging bij het teruglezen van oude verhalen, ochtendmisselijkheid uit angst om slecht te schrijven. Maar uiteindelijk komt ze toch altijd weer uit op die allesoverheersende drang tot schrijven: ‘Het allerergst, erger dan wat dan ook, zou een leven zonder schrijven zijn’.
4 sterren
Babel april 2005

De Amerikaanse dichteres Sylvia Plath worstelde
tevergeefs haar leven lang om erkenning als schrijfster
te krijgen. In het laatste jaar van haar leven, als haar huwelijk met dichter Ted Hughes stukloopt, schrijft ze meer gedichten dan ooit. Deze gedichten bundelt ze onder de naam Ariel. Op haar dertigste pleegt ze zelfmoord. Ariel werd postuum uitgegeven en vestigde haar naam. Begin dit jaar heeft de Arbeiderspers de Nederlandse vertaling van Plath's dagboeken uitgegeven. Hiermee is een kijkje in haar leven nu ook voor Nederlandse Plath-liefhebbers toegankelijk.
De dagboeken 1950-1962 zijn de laatste twee dagboeken van Plaths leven. Toch zijn de dagboeken beperkt. Die beperking zit hem vooral in de geringe beschikbaarheid van het materiaal voor De dagboeken. Dit zijn de laatste twee dagboeken van haar leven. De schriften die aantekeningen bevatten over de periode waarin haar huwelijk stuk-loopt en ze de Ariel-gedichten schrijft- tot enkele dagen voor haar dood- zijn niet opgenomen in De dagboeken. Het ene schrift is door Hughes vernietigd, het andere zou spoorloos verdwenen zijn. Hierdoor blijft de lezer aan het eind met een leeg gevoel achter: van die laatste dramatische, maar wel belangrijke periode van haar leven zie je niets dan een korte samenvatting in vijf zakelijke zinnen op de laatste bladzijde.
Toch heeft deze beperking ook een voordeel. Haar man, de dichter Ted Hughes, is vaak verguisd door Plath-liefhebbers omdat hij haar zelfmoord op zijn geweten zou hebben. In de dagboeken komt de periode waarin het huwelijk op de klippen loopt dus niet voor, de liefde daarentegen des te beter. Plaths beschrijvingen van haar liefde voor Hughes zijn ontroerend mooi: ‘Ik geniet het voortdurende gezelschap van een echtgenoot die zo groots is, zo heerlijk ruikt, zo lang en zo reusachtig creatief is dat ik bijna denk dat ik hem verzonnen heb’. Ze noemt hem ‘de ideale, de enig mogelijke’ en hij is haar ‘grote, grote liefde’.
Wat ook voor gaten, en dus voor verwarring, in de dagboeken zorgt, is dat Plath (blijkbaar) niet in haar dagboek schreef tijdens roerige perioden. In het jaar waarin ze een zelfmoordpoging doet, schrijft ze geen letter in haar dagboek. Haar huwelijk en de geboorte van haar eerste kind worden niet beschreven. En ze beschrijft niet wanneer ze verhuist, wat regelmatig gebeurt. Dit zorgt voor op en neer bladeren om het als lezer allemaal bij te kunnen houden. De dagboeken zijn wel verdeeld in blokken, waarbij elke nieuwe periode wordt ingeleid met een korte tekst over die periode. Zo worden de gaten redelijk overbrugd en de aanvullende informatie toch gegeven. Maar voor iemand die nauwelijks iets over Plaths leven weet zal het boek wel een stuk oninteressanter en onduidelijker worden.
Wel komt Plath echt tot leven in de dagboeken. De overbekende feiten uit haar leven komen nauwelijks aan bod, maar de dagboeken geven een kijkje in haar dagelijks leven. Dates, irritaties, haar eetgewoonten, alles wordt uitgebreid beschreven. In die zin zijn de dagboeken ook ontnuchterend. Ze laten zien dat Plath een gewoon mens was, met haar eigen onhebbelijkheden. Zelfs wie geen gemystificeerd beeld van haar heeft, zal niet weten wat hij leest bij Plaths beschrijving van het neuspeuteren: ‘Soms zit er bloed in het snot, droge bruine korstjes of een plotseling oplichtend helder rood op de vinger die te ruw langs het slijmvlies in je neus heeft geschraapt. God, wat een seksuele voldoening!’.
Hoewel de dagboeken uit de periode 1950-1962 zijn, doen ze niet gedateerd aan. In sommige dingen is wel de tijdsgeest te lezen. Bijvoorbeeld in Plaths drang om een man te vinden om te trouwen. Ze voelt het als een verplichting om voor haar vijfentwintigste getrouwd te zijn, maar ze wil niet alleen de huisvrouw van haar man zijn, ze wil een eigen carrière. En ze vindt het moeilijk te verkroppen dat vrouwen geacht worden als maagd te trouwen terwijl mannen dat niet hoeven. Haar feminisme spreekt uit dit soort overtuigingen.
Natuurlijk zijn de dagboeken bij tijden deprimerend. Het is vooral triest om te lezen hoe Plath nergens rust kan vinden. Ze sleept zichzelf door een jaar als docente literatuur met de belofte daarna een jaar voor zichzelf te hebben om alleen maar te schrijven. Maar als ze dat jaar vrij heeft raakt ze maar niet aan het schrijven en wil ze weer meer een band met de buitenwereld, door bijvoorbeeld weer te gaan werken.
Voor wie van Plaths werk houdt zijn de dagboeken zeker de moeite waard. In de mooie beschrijvingen van bijvoorbeeld nachtelijke wandelingen en haar originele kijk op dagelijkse dingen is haar latere stem al te horen. Ook is het grappig om te zien hoe haar boek De glazen stolp tot in het kleinste detail is opgebouwd uit dingen uit haar eigen leven en hoe ze haar hele leven bezig is met die roman.
Daarom zijn de dagboeken ook voor mensen die zelf schrijven mooi en herkenbaar. Haar dagelijkse strijd met het blanco vel, de teleurstelling van afwijzingen, huilbuien van walging bij het teruglezen van oude verhalen, ochtendmisselijkheid uit angst om slecht te schrijven. Maar uiteindelijk komt ze toch altijd weer uit op die allesoverheersende drang tot schrijven: ‘Het allerergst, erger dan wat dan ook, zou een leven zonder schrijven zijn’.
4 sterren

0 Comments:
Post a Comment
<< Home