Netwerken is het belangrijkste: Bijna driekwart van geesteswetenschappen studenten vindt via-via een baan.
Babel April 2006
“Leer een vak”, zei mijn vader altijd, “dan kan je later tenminste voor jezelf zorgen”. Met dat leren ben ik inmiddels bijna klaar, maar
of ik nu straks wel echt voor mezelf kan zorgen, vraag ik me vaak af. De beroepsperspectieven voor geesteswetenschappers lijken vaak
niet rooskleurig. Dat veel andere geesteswetenschappenstudenten zich daar ook zorgen om maken, bleek wel tijdens de Studie en Loopbaan
Week die van 13-16 maart gehouden werd.
De collegezaal waar de voorlichtingsmiddag over de arbeidsmarkt voor historici en neerlandici gehouden wordt, zit goed vol. Onder leiding van dr. W. Melching vertellen vijf afgestudeerde studenten ‘die allemaal goed terechtgekomen zijn’ over hun ervaringen bij het vinden van een
baan. De studenten in de zaal mogen tussendoor en achteraf vragen stellen. Uit hun vragen blijkt duidelijk wat hen bezighoudt: niet alleen willen ze weten of de studenten die voor hun neus zitten wel een baan hebben gevonden - ze willen ook weten hoe hun studiegenoten terecht
zijn gekomen. En of ze mensen kennen die iets heel anders zijn gaan doen, in het bedrijfsleven
bijvoorbeeld, of bij een consultancybureau. Het panel valt een beetje stil op dit punt.
Femmy Wolthuis van het Loopbaancentrum van de UvA heeft hier meer ervaring mee. Volgens haar komt het regelmatig voor dat geesteswetenschappers de overstap maken naar andere soorten beroepen. “Je gaat langzaam een beetje afscheid nemen van je lievelingsvak”, zegt
ze. In de trainingen bij het Loopbaancentrum wordt er geprobeerd om de academische titel van de geesteswetenschapper in de algemenere titel ‘academicus’ om te vormen. Hierbij ga je kijken welke vaardigheden je hebt en hoe je je sterke kanten zo goed mogelijk neer kan zetten.
Nevenactiviteiten als stages en vrijwilligerswerk worden meegenomen in het totaalplaatje. Veel geesteswetenschappers zijn bijvoorbeeld goed in schrijven. Maar ook in het analyseren van problemen en het stellen van onderzoeksvragen. Hierdoor kunnen ze ook in het bedrijfsleven of
de consultancy prima tot hun recht komen. Wel is het zo dat het tempo in het bedrijfsleven vaak wat hoger ligt dan geesteswetenschappers gewend zijn.
Een andere tak waarin geesteswetenschappers het goed doen, is bij de overheid. Op de ministeries bijvoorbeeld, maar ook op Europees niveau. Hoewel de geesteswetenschappers daar in de minderheid zijn, is het dus niet zo dat je niet meer uitgenodigd wordt wanneer je studie niet direct relevant is. Er wordt in dat geval wel gekeken of uit je CV blijkt dat de interesse voor het beleid van de desbetreffende tak van de overheid aantoonbaar is in werkervaring, buitenlandervaring of nevenactiviteiten.
Toch is het niet nodig om als geesteswetenschapper meteen je droombaan op te geven. Een manier om te kunnen blijven ‘hangen’ op de universiteit en verder te gaan in de richting die je leuk vindt is bijvoorbeeld ook een optie. Het aantal promotieplaatsen is voor geesteswetenschappers alleen wel erg gering. Daarnaast blijkt vooral in Amsterdam
relatief veel werk te zijn voor de geesteswetenschapper. Wel is het erg belangrijk om te netwerken. Dat wordt zowel op de voorlichtingsbijeenkomst als door Wolthuis benadrukt: “Je moet als geesteswetenschapper niet gaan kijken naar de vacatures in de Intermediair, want dat is erg demotiverend. Die advertenties zijn bijna allemaal gericht op de fi nanciële sector. Je
kan het beste via-via aan werk komen”. Pakken wat je pakken kan is ook het devies van de afgestudeerde geesteswetenschappers die voorlichting geven op de arbeidsmarktmiddag. De meesten zijn via een stageplek of vrijwilligerswerk aan de baan die ze wilden gekomen. “Als je weet waar je wilt werken, kun je het beste proberen daar binnen te komen”, zegt Lisanne
Vleugels. “Al begin je maar met de telefoon oppakken. Je kunt altijd nog doorgroeien. Bij veel bedrijven worden nieuwe vacatures eerst intern verspreid en heb je dus voorrang op zo’n functie. Zo heb je meer kans om op de baan te komen die je graag wil, dan als je maar blijft wachten tot die perfecte vacature komt. Want sommige mensen wachten daar na tien jaar nog
op!”. Netwerken heeft vaak een negatieve klank, maar dat hoeft helemaal niet. Met netwerken wordt ook wel bedoeld jezelf bekend maken bij mensen die je verder kunnen helpen, laten weten dat je op zoek bent naar werk. Dat kan op een nette manier en daar heb je helemaal niet altijd zo’n snelle babbel voor nodig als vaak gedacht wordt. Wolhuis geeft wel aan dat veel geesteswetenschappers daarvoor toch een beetje een drempel over moeten: “Normaal gesproken reageren ze op dingen. Nu moeten ze zich actief gaan inzetten”. Ook Melching geeft grappend toe dat hij nog nooit ergens een baan heeft gekregen via een vacature. Dat netwerken geen windeieren legt blijkt overigens ook uit de cijfers: maar liefst 70 procent van de geesteswetenschappers vind via-via een baan.
Babel April 2006
“Leer een vak”, zei mijn vader altijd, “dan kan je later tenminste voor jezelf zorgen”. Met dat leren ben ik inmiddels bijna klaar, maar
of ik nu straks wel echt voor mezelf kan zorgen, vraag ik me vaak af. De beroepsperspectieven voor geesteswetenschappers lijken vaak
niet rooskleurig. Dat veel andere geesteswetenschappenstudenten zich daar ook zorgen om maken, bleek wel tijdens de Studie en Loopbaan
Week die van 13-16 maart gehouden werd.
De collegezaal waar de voorlichtingsmiddag over de arbeidsmarkt voor historici en neerlandici gehouden wordt, zit goed vol. Onder leiding van dr. W. Melching vertellen vijf afgestudeerde studenten ‘die allemaal goed terechtgekomen zijn’ over hun ervaringen bij het vinden van een
baan. De studenten in de zaal mogen tussendoor en achteraf vragen stellen. Uit hun vragen blijkt duidelijk wat hen bezighoudt: niet alleen willen ze weten of de studenten die voor hun neus zitten wel een baan hebben gevonden - ze willen ook weten hoe hun studiegenoten terecht
zijn gekomen. En of ze mensen kennen die iets heel anders zijn gaan doen, in het bedrijfsleven
bijvoorbeeld, of bij een consultancybureau. Het panel valt een beetje stil op dit punt.
Femmy Wolthuis van het Loopbaancentrum van de UvA heeft hier meer ervaring mee. Volgens haar komt het regelmatig voor dat geesteswetenschappers de overstap maken naar andere soorten beroepen. “Je gaat langzaam een beetje afscheid nemen van je lievelingsvak”, zegt
ze. In de trainingen bij het Loopbaancentrum wordt er geprobeerd om de academische titel van de geesteswetenschapper in de algemenere titel ‘academicus’ om te vormen. Hierbij ga je kijken welke vaardigheden je hebt en hoe je je sterke kanten zo goed mogelijk neer kan zetten.
Nevenactiviteiten als stages en vrijwilligerswerk worden meegenomen in het totaalplaatje. Veel geesteswetenschappers zijn bijvoorbeeld goed in schrijven. Maar ook in het analyseren van problemen en het stellen van onderzoeksvragen. Hierdoor kunnen ze ook in het bedrijfsleven of
de consultancy prima tot hun recht komen. Wel is het zo dat het tempo in het bedrijfsleven vaak wat hoger ligt dan geesteswetenschappers gewend zijn.
Een andere tak waarin geesteswetenschappers het goed doen, is bij de overheid. Op de ministeries bijvoorbeeld, maar ook op Europees niveau. Hoewel de geesteswetenschappers daar in de minderheid zijn, is het dus niet zo dat je niet meer uitgenodigd wordt wanneer je studie niet direct relevant is. Er wordt in dat geval wel gekeken of uit je CV blijkt dat de interesse voor het beleid van de desbetreffende tak van de overheid aantoonbaar is in werkervaring, buitenlandervaring of nevenactiviteiten.
Toch is het niet nodig om als geesteswetenschapper meteen je droombaan op te geven. Een manier om te kunnen blijven ‘hangen’ op de universiteit en verder te gaan in de richting die je leuk vindt is bijvoorbeeld ook een optie. Het aantal promotieplaatsen is voor geesteswetenschappers alleen wel erg gering. Daarnaast blijkt vooral in Amsterdam
relatief veel werk te zijn voor de geesteswetenschapper. Wel is het erg belangrijk om te netwerken. Dat wordt zowel op de voorlichtingsbijeenkomst als door Wolthuis benadrukt: “Je moet als geesteswetenschapper niet gaan kijken naar de vacatures in de Intermediair, want dat is erg demotiverend. Die advertenties zijn bijna allemaal gericht op de fi nanciële sector. Je
kan het beste via-via aan werk komen”. Pakken wat je pakken kan is ook het devies van de afgestudeerde geesteswetenschappers die voorlichting geven op de arbeidsmarktmiddag. De meesten zijn via een stageplek of vrijwilligerswerk aan de baan die ze wilden gekomen. “Als je weet waar je wilt werken, kun je het beste proberen daar binnen te komen”, zegt Lisanne
Vleugels. “Al begin je maar met de telefoon oppakken. Je kunt altijd nog doorgroeien. Bij veel bedrijven worden nieuwe vacatures eerst intern verspreid en heb je dus voorrang op zo’n functie. Zo heb je meer kans om op de baan te komen die je graag wil, dan als je maar blijft wachten tot die perfecte vacature komt. Want sommige mensen wachten daar na tien jaar nog
op!”. Netwerken heeft vaak een negatieve klank, maar dat hoeft helemaal niet. Met netwerken wordt ook wel bedoeld jezelf bekend maken bij mensen die je verder kunnen helpen, laten weten dat je op zoek bent naar werk. Dat kan op een nette manier en daar heb je helemaal niet altijd zo’n snelle babbel voor nodig als vaak gedacht wordt. Wolhuis geeft wel aan dat veel geesteswetenschappers daarvoor toch een beetje een drempel over moeten: “Normaal gesproken reageren ze op dingen. Nu moeten ze zich actief gaan inzetten”. Ook Melching geeft grappend toe dat hij nog nooit ergens een baan heeft gekregen via een vacature. Dat netwerken geen windeieren legt blijkt overigens ook uit de cijfers: maar liefst 70 procent van de geesteswetenschappers vind via-via een baan.

0 Comments:
Post a Comment
<< Home