Saturday, September 29, 2007

Achtergrondartikel

Imago Nederlands leger staat ter discussie

VersPers.nl september 2007

Met nog maar een paar weken te gaan voor het definitieve besluit over de verlenging van de Nederlandse missie in Afghanistan wordt genomen, raakt Nederland overspoeld met nieuws over de missie. Of al die informatie het publiek ook echt een beter beeld geeft, is nog maar de vraag.
Het imago van Defensie lijdt onder de informatiestroom rond deze verlenging en de steun voor de missie onder de Nederlanders is met 39 procent lager dan ooit. Het Bureau Gedragswetenschappen van Defensie doet er continu onderzoek naar. Maandelijks worden er telefonische en schriftelijke enquêtes gehouden, waarmee het imago van Defensie en het draagvlak voor de missie nauwlettend in de gaten wordt gehouden. Ook in verband met het werven van nieuwe mensen.

Het lagere cijfer is volgens Robin Middel, woordvoerder van de Uruzganmissie, een direct gevolg van de uitgebreide berichtgeving rond de gevechten in Chora. "Op dit moment wordt er veel gevochten in Uruzgan. Dat drukt de wederopbouw naar de achtergrond. Er zijn ook grote successen geboekt, maar die zijn moeilijk te vertalen in de publiciteit," zegt Middel. "Een overleg tussen stamhoofden doet het in de media nu eenmaal minder goed dan vijfhonderd Talibanstrijders die een post willen aanvallen."

Wederopbouw
Middel geeft drie redenen aan waarom het imago van Defensie is verslechterd. Ten eerste zit Nederland nu ruim een jaar in de Afghaanse provincie Uruzgan. De roep van journalisten om een concrete stand van zaken over de wederopbouw wordt steeds luider. Volgens Middel daarentegen is wederopbouw moeilijk zo concreet aan te geven. "De media hebben de neiging om te zeggen: geef ons maar een lijst met waterputten. Maar daar gaat het niet om. De waterput is niet de wederopbouw."
"NGO’s (niet-gouvernementele organisaties, bijvoorbeeld het Rode Kruis red.) doen de wederopbouw, het leger zorgt daarbij voor de veiligheid. Wederopbouw is bijvoorbeeld het opzetten van een EHBO-post. De Taliban heeft daar ook baat bij, dus die vernielen ze niet. Vervolgens worden er vanuit die post cursussen gegeven aan Afghanen. Alternatieve manieren aanbieden om zelf het land op te bouwen, daar gaat het om. Maar dat kan niet binnen een jaar." Hij denkt dat de verwachtingen van de samenleving wat betreft de wederopbouw misschien te hoog zijn.
Daarnaast denkt Middel dat Nederland zich misschien niet genoeg realiseert dat Defensie er in het belang van de Nederlandse samenleving is. "We leven in een welvarend land en die welvaart is voor negentig procent afhankelijk van een stabiele exportmarkt. Het is in mijn optiek dan ook niet raar dat de Nederlandse samenleving investeert in een veilige en stabiele wereld."

Voor een positief imago wijst hij ook naar de politiek: "Niet alleen Defensie moet draagkracht voor de missie creëren, ook Buitenlandse Zaken moet dat doen. De missie is een uitvloeisel van ons buitenlands beleid, maar die gezamenlijke gedachte is er nog niet genoeg."

Herman Vijlbrief, verslaggever bij Netwerk, denkt dat het ook een beetje eigen schuld is, dat er zo op de wederopbouw wordt gehamerd door de pers: "Defensie communiceert steeds dat het om een wederopbouwmissie gaat." Hij vindt het logisch dat die vragen komen als er vervolgens Nederlandse soldaten sneuvelen in gevechten.

Dienstplicht
Een historische verklaring voor het verslechterde imago van Defensie zijn de veranderingen die de organisatie zelf heeft ondergaan. Tien jaar geleden is de dienstplicht opgeschort en is niemand meer verplicht het leger in te gaan. In de tijd van de dienstplicht kende iedereen wel iemand die bij Defensie werkte. Vijlbrief kan zich wel voorstellen dat dit een rol speelt. Hij is er zelf een voorbeeld van: "Ik ben nooit in dienst geweest, ik ben er te jong voor," zegt hij. "Voordat ik naar Uruzgan ging, had ik niet zo veel met het leger. Dat is snel veranderd."

Embedded
Een manier voor Defensie om hun verhaal te doen over de missie en zo bij te kunnen dragen aan een positiever beeld over het leger en de missie, is journalisten 'embedded' (dat wil zeggen dat de journalist een tijdje mee mag met een militaire eenheid) een kijkje bij de missie te laten nemen. Vijlbrief is begin dit jaar ook twee weken embedded in Afghanistan geweest. Hij ging ernaartoe om een reportage over de nazorg voor veteranen te maken. Eenmaal daar raakte hij betrokken bij een zelfmoordaanslag, toen hij met een patrouille mee op pad was. "We reden door de woestijn. Afghanistan is een prachtig land. Kinderen zwaaiden ons toe vanaf de kant van de weg en we zeiden tegen elkaar: ‘Is hier nou oorlog?’. Het volgende moment was alles anders."

Ook over de aanslag maakte hij een reportage. "Dan laat je de gruwelijke werkelijkheid zien," zegt hij. Toch is het embedded zijn hem meegevallen: "Ik mocht alles doen wat ik wilde. De regel van Defensie is dat je alles mag laten zien, zolang het de missie maar niet in gevaar brengt." Voor het resultaat naar buiten wordt gebracht, moeten journalisten hun werk eerst aan Defensie voorleggen. Vijlbrief moest een keer een bijzin weghalen, maar "dat ging nergens over," volgens hem.

Doordat journalisten voor korte duur op deze manier in en uit het legerkamp vliegen is embedded zijn niet helemaal op de werkelijkheid. "Alles wordt voor je bepaald," zegt Vijlbrief. "Het kamp is heel klein. Eigenlijk doen alle journalisten er hetzelfde, ze stellen allemaal dezelfde vragen. Maar je moet zo veel mogelijk laten zien, zoals bijvoorbeeld die aanslag. Dan hoef je het niet uit te leggen, want je laat het al zien."

Partijdigheid
Nel Ruigrok, hoofd onderzoek bij de Nederlandse Nieuwsmonitor en docent oorlogsverslaggeving aan de Universiteit van Amsterdam, is het daarmee eens. Ze promoveerde op een onderzoek naar de verslaggeving tijdens Bosnië en heeft toen gezien hoe erg de verslaggeving eronder kan lijden als journalisten hun onpartijdigheid verliezen. Veel journalisten in Bosnië werden fel voorstander van de interventie, maar hadden daar eigenlijk te weinig kennis over. Daarnaast citeerden ze vooral slachtoffers. Hierdoor werd de verslaggeving partijdig en vol met stereotypen.
Ruigrok pleit er daarom sterk voor dat journalisten zo veel mogelijk kanten van het verhaal laten zien en dat ze nuanceren. Ze geeft echter ook aan dat er veel hindernissen en valkuilen zijn om tot zulke verslaggeving te komen. "Het is moeilijk om in Afghanistan volgens journalistieke criteria te werken, omdat het een erg ontoegankelijk gebied is. Journalist Arnold Karskens is er nog wel op eigen gelegenheid naartoe geweest, maar het is bijna onmogelijk om dat te doen. Als je naar Afghanistan gaat, ga je embedded en dat levert een heel ander soort journalistiek op. Je trekt als journalist steeds met de militairen op en dat maakt het moeilijker om er daarna negatief over te berichten en kritisch te zijn."

Vijlbrief heeft dit ook ervaren. Hij geeft aan dat het kamp erg klein is en je constant op elkaars lip zit. Je krijgt snel een band. Met sommige militairen waar hij mee omging toen hij embedded was, heeft hij nog steeds contact. Over zijn reportage over de aanslag zegt hij: "Ik wilde het vooral zo maken dat de jongens daar zouden zeggen: ‘Zo was het. Zo heb ik het ook ervaren’."

Permanente aanwezigheid
Ondanks dat het embedded zijn ook nadelen heeft, denkt Middel dat een permanente aanwezigheid van journalisten in het gebied wel de beste manier zou zijn om de missie zo goed mogelijk te verslaan. "Ook al is dat niet haalbaar voor Nederland," zegt hij erbij.

Ruigrok is het ermee eens dat de constante aanwezigheid van journalisten in het gebied goed zou zijn. "Je kunt dan beide kanten laten zien, dus ook de Taliban.” Bovendien geeft het journalisten de mogelijkheid zich echt in te werken in de materie: "Journalisten die er embedded naartoe gaan, hebben vaak geen idee. Het is spannend om erheen te gaan en je hebt doorgaans weinig tijd om je voor te bereiden. Vaak ga je er al met een vooroordeel naartoe. Daardoor ben je meer vatbaar voor manipulatie. Als je er langer bent en tussen de mensen leeft, krijg je een heel ander beeld dan als je incidenteel bij een slachtoffer gaat kijken."

Vijlbrief is het er niet onverdeeld mee eens. "Het kan niet", zegt hij "want dan zou Defensie dat moeten betalen en dat doen ze niet. Het zou wel goed zijn, omdat je er dan zo dicht op zit. Aan de andere kant is het werkgebied zo klein dat je iedereen snel kent en dat is niet gezond. Misschien zou het kunnen als je de journalist elke maand afwisselt."

Scoren
De drang om een goed verhaal te scoren is een ander punt waarom Middel voor een permanente aanwezigheid in het gebied is. "Embedded journalisten zijn maar heel kort in Afghanistan en dan moeten ze met een verhaal terugkomen." Ruigrok is ervan overtuigd dat de drang om te scoren meespeelt: "Ik geloof zeker dat journalisten eerder op negatief nieuws zijn gericht." Ze benadrukt hierbij echter dat zowel Defensie als de journalistiek wat dit betreft preken voor eigen parochie. Beiden hebben ze hun eigen belangen.

Middel is ontevreden over een persbriefing over de wederopbouw dat niet meer publiciteit opleverde dat een eenkoloms berichtje in de Volkskrant, terwijl Vijlbrief dit niet als een bewust gekozen negatieve insteek ziet. Hij wijst op de journalistieke verantwoordelijkheid: "Als journalist moet je altijd kritisch zijn en niet aan de leiband van Defensie meelopen. Leuk dat die stamhoofden vandaag gaan overleggen, maar doen ze dat morgen ook nog? Of zijn ze dan weer van mening veranderd?"

Volgens Middel zoeken journalisten vaak bevestiging. "Eén mens is geen mens," zegt hij, "daarom zoeken ze een bron die hun verhaal bevestigd." Ruigrok beaamt dat een dergelijke werkwijze voorkomt. "In Bosnië gebeurde dat in ieder geval. Het heet 'opportune witness'. De journalist citeert dan bronnen die hetzelfde idee hebben over het onderwerp als hijzelf heeft."

Kritisch blijven
De doelgroep, het publiek, lijkt soms een beetje uit het oog verloren te zijn. Misschien heeft dat ermee te maken dat het Defensie-imago verslechterd is en de steun voor de missie op dit moment laag is. Defensie vertelt uiteindelijk liever zelf hun eigen verhaal op bijvoorbeeld een luchtmachtdag en de journalistiek neemt voor de kijkcijfers af en toe een beetje nuanceverlies op de koop toe.

"Als kijker of lezer moet je er daarom kritisch tegenover blijven staan. Het is niet de enige waarheid," roept Ruigrok het publiek op. "Je moet altijd in het achterhoofd houden dat het een selectie is die afhankelijk is van het moment en de omstandigheden."

Ze ziet daarin ook een rol voor de journalist weggelegd: “Het publiek is zeer afhankelijk van de media. Daarom moet de journalistiek nuanceren en soms erbij zeggen dat hij geen hoor en wederhoor kan toepassen en dat dit de enige bronnen zijn die hij kon vinden. Dat is moeilijk, want de krant moet toch verkocht worden."

Vijlbrief zegt ook: "Hét onafhankelijke verhaal bestaat niet. Je pikt er altijd een ding uit, dus je bent subjectief. Een reportage is gemaakt voor een breed publiek, daarin verlies je altijd nuance." Voor woordvoerder Robin Middel is het niet eens een kwestie van nuance verliezen per item: "Wij leggen hier alles naast elkaar en bekijken zo per keer het totale beeld. Soms win je dan en soms verlies je."

Politieke invloed
De minst beïnvloedbare partij lijkt uiteindelijk de politiek te zijn. "Ik heb het idee dat de missie vooral een politiek ding is en dat achter de schermen allang is besloten dat we doorgaan," aldus Vijlbrief. "Wij hebben daar als journalisten geen invloed op, hoezeer dat ook zou moeten in een democratie. Je hebt pas invloed als je keihard kan bewijzen dat wat we in Afghanistan doen niet werkt.” Ruigrok heeft dezelfde visie: "De overheid doet het toch; als ze wil ingrijpen dan doet ze dat." Ze gelooft wel dat de journalistiek een bepaalde invloed heeft, maar "de journalistiek heeft geen macht. Macht klinkt alsof ze iets kan afdwingen en dat kan ze niet".