Tuesday, October 28, 2008
Analyse van de Amerikaanse Verkiezingen: http://www.verspers.nl/?categorie=7&soort=artikel&id=133
Sunday, October 12, 2008
Marechaussee op Schiphol: havik met fingerspitzengefühl
VersPers.nl 2 oktober 2008
fotografie: Rogier ten Hacken
De Nederlandse grensbewaking is in handen van de Koninklijke Marechaussee. Hun grootste en belangrijkste post is Schiphol. Hier gaan jaarlijks 48 miljoen reizigers door de paspoortcontrole. Tussen de 2.000 en 3.000 reizigers blijken een vals paspoort te hebben. Deze mensen gaan terug naar het land van herkomst of vragen asiel aan. Laten we een kijkje nemen achter de schermen en het traject op Schiphol doorlopen dat een vreemdeling zonder geldig identiteitsbewijs ook doorloopt.
“De marechaussee is de politie van de stad Schiphol”, zo verduidelijkt woordvoerder Robert van Kapel graag de rol van de marechaussee op de luchthaven. Hij geeft een rondleiding. “Het is het kleinste district met de meeste mensen, zo’n 1.800 in totaal.” Paspoortcontrole, identificatie, toezicht houden, bewaking, het opsporen van drugs- en mensensmokkel en recherchewerk; het valt allemaal onder het brede takenpakket.
Toch is de marechaussee geen gewone politie. Zij hebben namelijk een militaire status. Medewerkers zijn militair opgeleid en kunnen ook naar het buitenland worden uitgezonden. De marechaussee valt dan ook onder het Ministerie van Defensie, maar in hun taakuitvoering ook onder de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Grensbewaking is de belangrijkste taak, zo ook op Schiphol. “We willen hier illegale grensoverschrijding tegengaan”, legt Van Kapel formeel uit. De paspoortcontrole speelt daar een sleutelrol in, ook al weet niet iedereen dat de marechaussee dat uitvoert. “Veel mensen zeggen dat ze door de douane zijn geweest, terwijl ze de paspoortcontrole bedoelen. Het verschil zit erin dat de marechaussee zich op personen richt en de douane op goederen. Wel werken we nauw met hen samen tegen drugssmokkel.”
Bij de paspoortcontrole
Het hebben van een geldig paspoort, daar draait alles om op Schiphol. De paspoortcontrole is het punt waar de zogenoemde voorwaarden voor binnenkomst worden bekeken. Vooral de reizigers die een visum nodig hebben om Nederland in te mogen, worden hier streng gecontroleerd. Zij komen Nederland alleen binnen als met een geldig identiteitsbewijs, een geldig retourticket, genoeg geld om de periode dat ze in Nederland zijn zichzelf te kunnen onderhouden en een duidelijk reisdoel. Deze visumplichtige reizigers worden in de computer ingevoerd om te kijken of ze niet voorkomen in het opsporingsregister.
Het hebben van een geldig paspoort, daar draait alles om op Schiphol. De paspoortcontrole is het punt waar de zogenoemde voorwaarden voor binnenkomst worden bekeken. Vooral de reizigers die een visum nodig hebben om Nederland in te mogen, worden hier streng gecontroleerd. Zij komen Nederland alleen binnen als met een geldig identiteitsbewijs, een geldig retourticket, genoeg geld om de periode dat ze in Nederland zijn zichzelf te kunnen onderhouden en een duidelijk reisdoel. Deze visumplichtige reizigers worden in de computer ingevoerd om te kijken of ze niet voorkomen in het opsporingsregister.
De controles volgen een standaardprocedure, maar er komt ook een stukje 'fingerspitzengefühl' bij kijken. Van Kapel: “Als je achter de balie van de paspoortcontrole zit en er komt een groep op je af, dan ga je meteen profilen. Wat voor groep is het? Zit er iemand bij die zich zenuwachtig gedraagt? Of zit iemand strak in het pak, maar draagt hij gymschoenen?” Ook bij het vragen stellen en het bepalen of een vreemdeling een geloofwaardig verhaal heeft om het land in het komen, komt een stukje 'feeling' kijken.
Het paspoort kan misschien wel geldig zijn, de persoon op de foto moet ook de persoon zijn die aan de balie staat. Is er twijfel over de echtheid van het document, dan mag de reiziger niet door de paspoortcontrole. Het document gaat naar het Expertisecentrum Identiteitsfraude en documenten. Hier wordt het onderzocht op zijn echtheid. Dat het herkennen van een vals document of een lookalike een vak apart is, wordt met een blik op de muur van het expertisecentrum duidelijk. De muur hangt vol met foto’s. In sommige gevallen is de lookalike nauwelijks van de echte persoon te herkennen. Maar de marechaussee op Schiphol beheerst dit vak goed; regelmatig geven ze trainingen in het herkennen van valse documenten op andere internationale luchthavens, bij de politie en gemeenten.
Hoewel paspoortvervalsing soms zeer geavanceerd is, laat de rondleiding door het centrum genoeg voorbeelden van mislukte pogingen zien. Zo hangt er een identiteitsbewijs van een vrouw waarvan twee van de drie dochters binnen een half jaar tijd geboren werden. Ook reizigers uit ‘British Honduras’ en koninkrijk ‘Lichtenberg’ kwamen het land niet in.
Vreemdelingen met een vals paspoort hebben twee mogelijkheden. Ze gaan terug naar het land van herkomst of ze vragen asiel aan. De marechaussee speelt in beide opties een rol. Vreemdelingen die teruggaan, worden daarin begeleid. Veelal verblijven deze mensen op Schiphol en gaan zo snel mogelijk terug. Vreemdelingen die zich verzetten tegen uitzetting of van wie verwacht wordt dat ze tijdens de vlucht moeilijk gaan doen, krijgen begeleiding tijdens de vlucht. Dit gebeurt bij ongeveer vijftien tot twintig procent van de mensen die terug gaan. De rest wordt zonder begeleiding op het vliegtuig gezet.
Afdeling Claims, Identificatie en Artikel 4


Wie asiel wil aanvragen, gaat naar de afdeling Claims, Identificatie en Artikel 4 (voorheen bureau Asielzaken). Er zit een gezin in de wachtruimte. “Hebben zij paspoorten?”, vraagt Van Kapel aan een medewerker die als een forensisch detective witte plastic handschoentjes draagt. “Alleen dit”, is zijn antwoord, terwijl hij een papiersnipper ter grootte van een dikke duim laat zien. “De loodgieter is net geweest omdat de wc verstopt zat. Hij vond dit.”
“We zien dat wel vaker”, vertelt Van Kapel. “Vreemdelingen verscheuren hun paspoort, spoelen het door de wc of eten het soms zelfs op. Als we niet weten waar iemand vandaan komt, wordt het heel moeilijk diegene terug te sturen.” De marechaussee heeft een heleboel manieren om achter de herkomst van een document of mensen te komen. Als wij naar de volgende afdeling lopen, is aan de hand van de papiersnippers al achterhaald waar het gezin vandaan komt.
De marechaussee registreert de asielaanvraag, identificeert de vreemdeling (bijvoorbeeld door vingerafdrukken) en legt een dossier aan voor de IND, als zij het overnemen. In de eerste uren probeert de marechaussee zoveel mogelijk te weten te komen over de persoon die de aanvraag doet. Voor aangehouden verdachten is de termijn voor verhoor zes uur.
Het is duidelijk dat er soms best wel wat emotie bij dit werk komt kijken. “We worden daar heel goed op getraind”, zegt Van Kapel. "Tijdens de opleiding spelen we eindeloos rollenspellen om ervaring op te doen." Verder probeert de marechaussee bijvoorbeeld bij uitzettingen waar een begeleider mee moet, een goede match te maken. "Bij vrouwen of gezinnen, gaat er vaak een vrouwelijke begeleider mee." Na een uitzetting hebben de begeleiders daar altijd een gesprek over. "Debriefen is heel belangrijk", benadrukt Van Kapel, "Hoe stoer iemand ook is, je weet nooit of het toch problemen bij iemands werk kan opleveren."
Naar het verwijdercentrum
Vreemdelingen die teruggaan naar het land van herkomst, brengen de laatste drie uur van hun verblijf in Nederland door in het Verwijdercentrum. Dit doet denken aan de kleedlokalen van de gymzaal. Het is een sobere, witte ruimte met alleen zitbanken erin.
Verder zijn er losse wachtruimtes die lijken op badkamertjes. Vreemdelingen die hier moeten wachten mogen roken, bellen en krijgen altijd medische hulp als ze dat nodig hebben of als ze zich niet lekker voelen. “We willen hier de-escalerend werken”, zegt Van Kapel. Doel is om zo min mogelijk stress voor de vreemdelingen te veroorzaken vlak voordat ze teruggaan. De bewaking in het verwijdercentrum wordt dan ook niet gedaan door een overweldigende marechaussee-eenheid. “We doen wel alles met zijn tweeën. Het fouilleren doet iemand bijvoorbeeld nooit alleen”, geeft Van Kapel aan.
Verder hangt de hoeveelheid bewaking af van het aantal vreemdelingen in de wachtruimte en van hoe rustig zij zijn. Wel hangen er overal camera’s waarmee achter de schermen een team van een man of vijf alles in de gaten houdt. Als het nodig is, kunnen zij snel voor versterking zorgen.
Smokkelen
Het opsporen van mensensmokkel is één van de recherchetaken van de marechaussee. Ideeën over vreemdelingen die uit het vliegtuigruim worden gehaald of opeengepakt in koffers het land in proberen te komen, blijken cowboyverhalen. Ook als het om mensensmokkel gaat, draait alles om het hebben van een geldig paspoort. Sommige reizigers ‘verliezen’ tijdens de vlucht naar Nederland hun paspoort. Op Schiphol wachten ze dan in de vertrekhal op iemand die beloofd heeft het paspoort te regelen.
Het opsporen van mensensmokkel is één van de recherchetaken van de marechaussee. Ideeën over vreemdelingen die uit het vliegtuigruim worden gehaald of opeengepakt in koffers het land in proberen te komen, blijken cowboyverhalen. Ook als het om mensensmokkel gaat, draait alles om het hebben van een geldig paspoort. Sommige reizigers ‘verliezen’ tijdens de vlucht naar Nederland hun paspoort. Op Schiphol wachten ze dan in de vertrekhal op iemand die beloofd heeft het paspoort te regelen.
Op vluchten uit sommige landen of gebieden zitten vaak drugssmokkelaars. Suriname of Curaçao zijn zulke landen. Komt er iemand uit die vlucht aan die naar ontlasting ruikt of gebarsten lippen heeft, dan is de kans groot dat het een bolletjesslikker is. Wie van drugssmokkel wordt verdacht heeft de keuze om mee te werken aan een onderzoek of niet. In het eerste geval wordt de zogenaamde ‘honderd procent’-controle uitgevoerd. Hierbij krijgt de vermeende bolletjesslikker een bodyscan. Op deze röntgenfoto’s zijn bolletjes duidelijk zichtbaar.
Produceren
De drugssmokkelaars moeten naar het cellencomplex op Schiphol om te ‘produceren’. Ondertussen doet de marechaussee onderzoek naar de smokkel. Worden er daadwerkelijk bolletjes in de ontlasting gevonden, dan draagt de marechaussee hem over aan het Openbaar Ministerie. Die bepaalt wat er verder gebeurt. Mensen die niet meewerken aan het onderzoek gaan ook naar het cellencomplex. Zij komen pas vrij als na een paar dagen blijkt dat er geen bolletjes ‘geproduceerd’ zijn.
De rondleiding door Schiphol eindigt bij de douane. Hier kunnen reizigers goederen die ze meenemen uit het buitenland aangeven. Daarna verruilen we airside weer voor landsite, zoals de marechaussee Schiphol Plaza noemt. Van Kapel neemt afscheid. De marechaussee werkt scherp, als een havik, maar wel één met 'fingerspitzengefühl'.
Monday, May 19, 2008
Rietveld bouwt geen monumenten
VersPers.nl 18 mei 2008
Theatergroep Koper en het Centraal Museum Utrecht voeren deze maand het toneelstuk Rietveld: Zitten is een werkwoord op. Het stuk wordt op locatie gespeeld, in en om het Rietveld-Schröderhuis. De toeschouwers krijgen een kijkje in het leven van Nederlands beroemdste architect Gerrit Rietveld en zijn muze Truus Schröder.
Rietveld was van huis uit meubelmaker. Behalve aan het Rietveld-Schröderhuis dankt hij zijn faam aan zijn stoelen, waarvan de bekendste wel de Rood-blauwe stoel uit 1918 is. In totaal heeft hij meer dan 350 meubelstukken ontworpen. Commentaar op de stoelen was vaak dat ze niet lekker zaten. Rietvelds reactie hierop, die ook in het stuk voorkomt, was: “Zitten is een werkwoord, als je moe bent, ga je maar liggen." Afgelopen week kon een grote collectie Rietveldstoelen nog gered worden uit de nagenoeg totaal afgebrande Bouwkundefaculteit van de Technische Universiteit Delft.
Rietveld-Schröderhuis
Rietveld heeft het Rietveld-Schröderhuis in 1924 ontworpen en gebouwd in opdracht van de weduwe Truus Schröder. De bouw van het huis was het begin van een intieme relatie tussen de twee, die begon met dat beide, onafhankelijk van elkaar, uitkwamen bij hetzelfde stuk grond om het huis op te bouwen. Rietveld ontwierp het huis in nauwe samenwerking met Schröder. Al zijn tekeningen werden met haar besproken: “Ik vertelde hoe ik het wilde hebben, en hij tekende het”, zegt Truus Schröder in het stuk. Zowel Rietveld als Schröder hebben er tot hun dood gewoond.
Deze maand leidt het Rietveld-Schröderhuis een dubbelleven. Overdag staat het huis open voor bezoekers die er een rondleiding kunnen krijgen. Na sluitingstijd wordt het pand overgenomen door technici en acteurs die avond aan avond het gebouw omtoveren tot het decor van hun voorstelling. Tijdens de voorstelling kijkt het publiek toe vanaf een tribune tegenover het huis en volgt de spelers via een koptelefoon. Op de zijkant van het huis wordt een close-up van Truus Schröder geprojecteerd, terwijl ze terugkijkt op haar leven met ‘Riet’. De projecties worden afgewisseld met toneel. Het levert een bijzonder schouwspel op.
Veraf, maar toch dichtbij
Door de opzet met een tribune zit er duidelijk een afstand tussen het publiek en de spelers. Tegelijkertijd komen de spelers soms heel dichtbij, omdat je via de koptelefoon hun ademhaling hoort of een piepend deurtje in het huis. Een neveneffect van het spelen op deze locatie is dat het huis in een omgeving staat, die niet kan worden afgeschermd, maar die soms bijna deel van het decor wordt. Je hoort auto’s rijden, vogels kwetteren en ziet fietsers en voetgangers langskomen. Af en toe stopt er iemand om het tafereel van het belichte Rietveld-Schröderhuis en een tribune vol hoofden met koptelefoons op te bekijken. Vaak steekt deze toeschouwer in zijn moderne kleren schril af tegen de acteurs, want het stuk speelt zich af in de eerste helft van de vorige eeuw.
Regisseuse Dea Koert vindt dat dit wel goed bij het stuk past: “We hebben geprobeerd om de verschuiving in de tijd heel duidelijk neer te zetten.” Dat lukt goed en soms ook met een knipoog. Zo is een grappige hermontage van een nazi-propagandafilm (waarin de Duitse soldaten lijken te dansen) een meer dan duidelijke inleiding tot de Tweede Wereldoorlog. Wel is het jammer dat er weinig achtergrondinformatie wordt gegeven bij soms zeer specifieke dingen. Rietveld was lid van een kunstbeweging die De Stijl heette. Wat dat echter inhield, wat Dada was en wat Bauhaus ‘de vijand’ maakte, blijft onduidelijk.
Traan en een lach
Het theaterstuk is zowel ontroerend als grappig. Ontroerend is het eind van de Tweede Wereldoorlog dat met klokgelui wordt afgekondigd, of het denkbeeldige gesprek dat de oude Truus Schröder vlak voor haar dood heeft met de dan al lang overleden Rietveld. Als Rietveld voorspelt dat het nieuwe snelwegennet rondom Utrecht waarschijnlijk nauwelijks gebruikt gaat worden, stijgt er een gegniffel op uit de toeschouwers. Zij zitten met hun rug bijna tegen de zeer drukke Waterlinieweg aan, die op nog geen honderd meter van het Rietveld- Schröderhuis is aangelegd.
“Zelfs Rietveld kon het wel eens mis hebben”, zegt Truus Schröder hierover. Rietveld had het ook nog over iets anders mis: de eeuwigheid. Hij had afstand gedaan van zijn geloof, want “de eeuwigheid is niet bestemd voor mensen”, zo zei hij. Het Rietveld- Schröderhuis stond er volgens hem ook al veel te lang. “Ik bouw geen monumenten”, schreeuwt hij dan uit. Dat was begin jaren ’60 van de vorige eeuw. Het huis staat er nog steeds, misschien wel voor eeuwig en al had Rietveld het niet zo in gedachten, het is toch een monument geworden.
Andere kijk
Spelen in zo’n huis heeft natuurlijk gevolgen. Van buitenaf gezien lijkt het alsof de spelers door het huis lopen, de trap op rennen en er rondspringen. In werkelijkheid liggen er kleden op de vloer en moet er op pantoffels en met zakjes om de voeten worden gelopen om niets te beschadigen in het fragiele huis. Ondanks dat zegt Quirine Donia, die de rol van Truus speelt: “Ik vind het heerlijk om in het huis te spelen. Het is zo’n blij huis, zo ruim en licht. Het is precies zoals Truus in het stuk zegt: nadat je in het huis bent geweest heb je een andere kijk op de wereld.”
Bertus Mulder, die Rietveld nog gekend heeft en het boek Gerrit Thomas Rietveld (Leven Denken Werken) geschreven heeft, is deze avond ook aanwezig. De acteurs komen één voor één bij hem langs om te horen hoe ze gespeeld hebben. Hij is zeer te spreken over het stuk en vindt dat Rietveld en Schröder er herkenbaar in worden neergezet. “Rietveld had een bepaalde manier van lopen en die heb jij ook”, zegt hij tegen Robert Jan Heyning die Rietveld speelt. Vaak wordt de beoordeling nog aangevuld met een anekdote, die het idee geeft dat Rietveld misschien nog wel intrigerender was dan het theaterstuk al doet vermoeden.
Wat dat betreft heeft Theatergroep Koper met dit veelzijdige stuk precies de goede aanpak gekozen: Het geeft de toeschouwer een kijkje in het leven van Rietveld en Schröder, maar verklapt niet alles. En door de open ramen krijgt het publiek wel een glimp van het interieur van het huis te zien, maar hoe het er nou precies uitziet, dat blijft nog een klein beetje mysterieus. Een betere manier om fascinatie op te wekken, is er niet.
Het theaterstuk Rietveld: Zitten is een werkwoord, wordt nog tot en met 1 juni opgevoerd, elke donderdag tot en met zondag.
VersPers.nl 18 mei 2008
Theatergroep Koper en het Centraal Museum Utrecht voeren deze maand het toneelstuk Rietveld: Zitten is een werkwoord op. Het stuk wordt op locatie gespeeld, in en om het Rietveld-Schröderhuis. De toeschouwers krijgen een kijkje in het leven van Nederlands beroemdste architect Gerrit Rietveld en zijn muze Truus Schröder.
Rietveld was van huis uit meubelmaker. Behalve aan het Rietveld-Schröderhuis dankt hij zijn faam aan zijn stoelen, waarvan de bekendste wel de Rood-blauwe stoel uit 1918 is. In totaal heeft hij meer dan 350 meubelstukken ontworpen. Commentaar op de stoelen was vaak dat ze niet lekker zaten. Rietvelds reactie hierop, die ook in het stuk voorkomt, was: “Zitten is een werkwoord, als je moe bent, ga je maar liggen." Afgelopen week kon een grote collectie Rietveldstoelen nog gered worden uit de nagenoeg totaal afgebrande Bouwkundefaculteit van de Technische Universiteit Delft.
Rietveld-Schröderhuis
Rietveld heeft het Rietveld-Schröderhuis in 1924 ontworpen en gebouwd in opdracht van de weduwe Truus Schröder. De bouw van het huis was het begin van een intieme relatie tussen de twee, die begon met dat beide, onafhankelijk van elkaar, uitkwamen bij hetzelfde stuk grond om het huis op te bouwen. Rietveld ontwierp het huis in nauwe samenwerking met Schröder. Al zijn tekeningen werden met haar besproken: “Ik vertelde hoe ik het wilde hebben, en hij tekende het”, zegt Truus Schröder in het stuk. Zowel Rietveld als Schröder hebben er tot hun dood gewoond.
Deze maand leidt het Rietveld-Schröderhuis een dubbelleven. Overdag staat het huis open voor bezoekers die er een rondleiding kunnen krijgen. Na sluitingstijd wordt het pand overgenomen door technici en acteurs die avond aan avond het gebouw omtoveren tot het decor van hun voorstelling. Tijdens de voorstelling kijkt het publiek toe vanaf een tribune tegenover het huis en volgt de spelers via een koptelefoon. Op de zijkant van het huis wordt een close-up van Truus Schröder geprojecteerd, terwijl ze terugkijkt op haar leven met ‘Riet’. De projecties worden afgewisseld met toneel. Het levert een bijzonder schouwspel op.
Veraf, maar toch dichtbij
Door de opzet met een tribune zit er duidelijk een afstand tussen het publiek en de spelers. Tegelijkertijd komen de spelers soms heel dichtbij, omdat je via de koptelefoon hun ademhaling hoort of een piepend deurtje in het huis. Een neveneffect van het spelen op deze locatie is dat het huis in een omgeving staat, die niet kan worden afgeschermd, maar die soms bijna deel van het decor wordt. Je hoort auto’s rijden, vogels kwetteren en ziet fietsers en voetgangers langskomen. Af en toe stopt er iemand om het tafereel van het belichte Rietveld-Schröderhuis en een tribune vol hoofden met koptelefoons op te bekijken. Vaak steekt deze toeschouwer in zijn moderne kleren schril af tegen de acteurs, want het stuk speelt zich af in de eerste helft van de vorige eeuw.
Regisseuse Dea Koert vindt dat dit wel goed bij het stuk past: “We hebben geprobeerd om de verschuiving in de tijd heel duidelijk neer te zetten.” Dat lukt goed en soms ook met een knipoog. Zo is een grappige hermontage van een nazi-propagandafilm (waarin de Duitse soldaten lijken te dansen) een meer dan duidelijke inleiding tot de Tweede Wereldoorlog. Wel is het jammer dat er weinig achtergrondinformatie wordt gegeven bij soms zeer specifieke dingen. Rietveld was lid van een kunstbeweging die De Stijl heette. Wat dat echter inhield, wat Dada was en wat Bauhaus ‘de vijand’ maakte, blijft onduidelijk.
Traan en een lach
Het theaterstuk is zowel ontroerend als grappig. Ontroerend is het eind van de Tweede Wereldoorlog dat met klokgelui wordt afgekondigd, of het denkbeeldige gesprek dat de oude Truus Schröder vlak voor haar dood heeft met de dan al lang overleden Rietveld. Als Rietveld voorspelt dat het nieuwe snelwegennet rondom Utrecht waarschijnlijk nauwelijks gebruikt gaat worden, stijgt er een gegniffel op uit de toeschouwers. Zij zitten met hun rug bijna tegen de zeer drukke Waterlinieweg aan, die op nog geen honderd meter van het Rietveld- Schröderhuis is aangelegd.
“Zelfs Rietveld kon het wel eens mis hebben”, zegt Truus Schröder hierover. Rietveld had het ook nog over iets anders mis: de eeuwigheid. Hij had afstand gedaan van zijn geloof, want “de eeuwigheid is niet bestemd voor mensen”, zo zei hij. Het Rietveld- Schröderhuis stond er volgens hem ook al veel te lang. “Ik bouw geen monumenten”, schreeuwt hij dan uit. Dat was begin jaren ’60 van de vorige eeuw. Het huis staat er nog steeds, misschien wel voor eeuwig en al had Rietveld het niet zo in gedachten, het is toch een monument geworden.
Andere kijk
Spelen in zo’n huis heeft natuurlijk gevolgen. Van buitenaf gezien lijkt het alsof de spelers door het huis lopen, de trap op rennen en er rondspringen. In werkelijkheid liggen er kleden op de vloer en moet er op pantoffels en met zakjes om de voeten worden gelopen om niets te beschadigen in het fragiele huis. Ondanks dat zegt Quirine Donia, die de rol van Truus speelt: “Ik vind het heerlijk om in het huis te spelen. Het is zo’n blij huis, zo ruim en licht. Het is precies zoals Truus in het stuk zegt: nadat je in het huis bent geweest heb je een andere kijk op de wereld.”
Bertus Mulder, die Rietveld nog gekend heeft en het boek Gerrit Thomas Rietveld (Leven Denken Werken) geschreven heeft, is deze avond ook aanwezig. De acteurs komen één voor één bij hem langs om te horen hoe ze gespeeld hebben. Hij is zeer te spreken over het stuk en vindt dat Rietveld en Schröder er herkenbaar in worden neergezet. “Rietveld had een bepaalde manier van lopen en die heb jij ook”, zegt hij tegen Robert Jan Heyning die Rietveld speelt. Vaak wordt de beoordeling nog aangevuld met een anekdote, die het idee geeft dat Rietveld misschien nog wel intrigerender was dan het theaterstuk al doet vermoeden.
Wat dat betreft heeft Theatergroep Koper met dit veelzijdige stuk precies de goede aanpak gekozen: Het geeft de toeschouwer een kijkje in het leven van Rietveld en Schröder, maar verklapt niet alles. En door de open ramen krijgt het publiek wel een glimp van het interieur van het huis te zien, maar hoe het er nou precies uitziet, dat blijft nog een klein beetje mysterieus. Een betere manier om fascinatie op te wekken, is er niet.
Het theaterstuk Rietveld: Zitten is een werkwoord, wordt nog tot en met 1 juni opgevoerd, elke donderdag tot en met zondag.
Wednesday, January 23, 2008
Achtergrondartikel
Westers belang bepaalt wat democratie is
Interne factoren
Venezuela
VersPers.nl januari 2008
Foto: Alex Wolf
Indonesië met zijn militaire apparaat, Venezuela dat net aan een nieuwe dictator ontsnapt is, Poetin in Rusland en Hamas in Israël. Het zijn niet de meest democratische voorbeelden die er zijn. Toch werken ze formeel allemaal democratisch en worden ze door het Westen in meerdere of mindere mate ook als zodanig geaccepteerd. Wat is hiervan de reden?
“Het is niet te zeggen of democratie er over vijftig jaar nog is,” zegt Marco Mezzera van Instituut Clingendael. “Toch is het wel het winnende politieke systeem uit de recente geschiedenis.” Van eind jaren tachtig tot eind jaren negentig was er de derde golf van democratisering. Deze ging uit van de aanname dat democratie het winnende politieke stelsel na de Koude Oorlog was en dus de weg die gevolgd moest worden. Tussen 1991 en 1997 ontstond er dan ook een trend van het exporteren van westerse democratische modellen naar andere delen van de wereld.
Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Het democratiseren van landen met een andere staatsvorm, bleek niet gemakkelijk en stuitte op een aantal obstakels. “In westerse landen wordt het politieke stelsel gecombineerd met een economisch stelsel, het kapitalisme,” legt Mezzera uit. “De gedemocratiseerde regeringen pasten het marktstelsel ook toe, maar dat ging vaak ten koste van de democratische participatie van de bevolking. De economische belangen bleken groter dan de democratische.”
Interne factorenVaak werd er ook te weinig rekening gehouden met wat er al in het land was, zoals bijvoorbeeld een traditioneel machtssysteem dat toch goed werkte. Bij gedemocratiseerde landen (zoals Indonesië en Thailand) is daarom vaak te zien dat ze voortbouwen op wat er al was in het land, maar daardoor kunnen ze ook makkelijk terugvallen in hun oude patroon. Dat is de reden dat het militaire apparaat, dat al voor de democratisering van Indonesië veel macht in handen had, na de democratisering nog steeds veel controle uitoefent.
Om democratie dus goed in een ander land te kunnen invoeren, is het nodig rekening te houden met de interne factoren en met wat dat land zelf wil. Het moet niet geforceerd worden. David Barnouw van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vindt Irak hier een goed voorbeeld van: “Het is makkelijk om ideologisch te zijn als je zelf niet van die stammen hebt,” zegt hij. Hij verwijst hiermee naar de drie groeperingen binnen Irak: de Koerden, de soennieten en de sjiieten. Het democratiseren van Irak stagneert vooral, omdat deze groepen moeilijk met elkaar op één lijn zijn te krijgen. “Waar wij eeuwen over hebben gedaan om het te krijgen, willen we daar in een paar maanden doen. In Irak wordt democratie met geweld gebracht en dat gaat niet werken,” aldus Barnouw.
Voorwaarden
Om democratie in een land te krijgen, zijn een aantal voorwaarden nodig, aldus Mezzera. “Een land moet een goed juridisch stelsel hebben, een stabiele staat en een goed niveau van welvaart. Maar democratie is geen absoluut begrip. Het wordt vaak simplistisch bekeken door ons.”
Democratie is meer dan alleen maar de mensen naar de stembus laten gaan. “In het Midden-Oosten is bijvoorbeeld ook democratie, maar daar worden toch partijen gekozen die niet voldoen aan onze begrippen van democratie. Hamas werd daar formeel democratisch gekozen, maar toch staat die partij in tegenstelling tot wat een politieke partij zou moeten zijn. Hamas heeft bijvoorbeeld een gewapende vleugel.”
Een aantal voorbeelden
Het Midden-Oosten is slechts één van de vele voorbeelden wereldwijd van dergelijke ‘democratieën’. Maar er zijn er natuurlijk nog veel meer. Hieronder een paar recente voorbeelden:
Rusland
“Poetin is duidelijk een vermomde dictator,” zegt Mezzera. “Hij doet wat hij wilt en oefent grote controle uit op de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting.” Rusland wordt steeds meer een autoritair regime. “Dat kan problemen opleveren voor het westen,” zegt Mezzera. “Zeker als het militair element weer boven komt, zoals het geval lijkt te zijn. Onder Jeltsin was dat net aan het afbrokkelen. Het westen is kritisch naar Rusland, maar moet voorzichtig zijn. Europa heeft economische belangen bij een goede band met Rusland. We zijn gasafhankelijk van het land.”
Barnouw heeft een mildere kijk op Rusland. Hij ziet het vooral als een land dat nog zoekende is naar zijn democratische vorm: “Tot 1988 had je in Rusland nog verkiezingsuitslagen van 99 procent. Nu is het democratiseringsproces daar bezig, maar ze willen toch het belangrijkste land blijven. Het duurt even voor Rusland er is, maar in vergelijking met hoe het was, is er al vooruitgang.” Hij wijst ook op het feit dat democratie niet altijd een vooruitgang is voor de bewoners van een land zelf: “In Rusland zeggen veel oude mensen dat het vroeger beter was. Toen hadden ze in ieder geval te eten.”
Indonesië
Indonesië wordt gezien als een goed voorbeeld van een recente democratisering. “Al vraag ik me af of het land nu wel een echte democratie is,” zegt Mezzera. “Het militaire apparaat heeft een sterke controle op politiek en economie. Pas in 2004 kreeg Indonesië zijn eerste gekozen president en dat was weer een oude generaal. Zo heeft de elite weer de controle en gaat het over de belangen van een beperkt aantal mensen.”
Mezzera vervolgt: “Ook de wetgeving schiet tekort, want er is nog steeds geen politieke wil om de schuldigen van mensenrechtenschennis te laten berechten.” Indonesië democratiseert dus vanuit wat er al was. Waarom ziet het westen dit dan toch als een geslaagd democratiseringsproces? “Het is onze wens om Indonesië als een geslaagd project te zien,” zegt Mezzera. “Indonesië is een belangrijk land op het strategische schaakbord, in de strijd tegen het terrorisme. Het is het grootste moslimland ter wereld, dus dat wil je dicht bij je houden en niet laten vervreemden van het westen. Ook spelen economische belangen mee.” Indonesië heeft namelijk het neoliberalisme geaccepteerd en schaart zich daarmee aan de kant van het westen.
Dit in tegenstelling tot Latijns-Amerika. Venezuela wijst het neoliberalisme af en baart het westen zorgen door het nationaliseren van zijn olie- en gasmaatschappijen. Het land wil zo min mogelijk handel met de Verenigde Staten, maar wil wel de banden met zijn buren aanhalen, onder andere door het oprichten van een Latijns-Amerikaanse tegenhanger van de Wereldbank.
Venezuela In Venezuela heeft een referendum op het nippertje een grondwetswijziging kunnen voorkomen waarmee president Hugo Chavez zich onbeperkt herkiesbaar kon stellen. Hiermee zou hij in feite een dictator zijn geworden. “De zoveelste,” zegt Barnouw. “De democratie in Venezuela is formeel netjes, maar toch doortrapt. Het is nog steeds deel van de oligarchie (Red.: heerschappij van enkelen, behorend tot de bevoorrechte klasse, elite), maar er is wel vooruitgang. Het pleit voor de democratie in Venezuela dat de grondwetswijziging het niet heeft gehaald, maar als zestig procent van het volk voor een wijziging had gekozen, had je het toch moeten accepteren.”
Een volk dat democratisch zijn dictator kiest? Mezzera gelooft er niet in: “Het zou kunnen. Als hoofd kan je veel invloed hebben op hoe het proces loopt. Als de grondwetswijziging was doorgevoerd, zou ik me altijd afvragen of het wel eerlijk was gegaan. Het veilig stellen van het eigen regime uit belang voor het volk roept twijfels op. Hoe langer mensen aan de macht zijn, hoe meer ze het systeem controleren. Niet voor niets zijn er binnen een democratie regels voor hoe lang iemand aan de macht mag zijn. Die regels zijn er om verandering en vernieuwing te garanderen.”
Irak
Zowel Barnouw als Mezzera hebben dezelfde visie over het democratiseringsproces van Irak: “Dat gaat niet tot stand komen.” Mezzera: “Het is duidelijk dat het westen erin geslaagd is een dictator te verwijderen, maar niet in democratie te brengen. In Irak is te weinig rekening gehouden met interne problemen. Als externe acteur moet je je rol goed kennen. Je moet weten wat je kunt doen, tot waar je kan gaan. Het democratiseringsproces in Irak is nu op een gevaarlijke manier gekoppeld aan interventie: democratie wordt een reden om de interventie te verantwoorden. Daarmee ontkracht je democratie.”
Barnouw ziet het democratiseren van Irak vooral als westerse ideologie: “Een aantal waarden zijn universeel, andere zijn door rijke landen verzonnen. We vinden dan dat elk land zo moet zijn, maar je kan democratie niet zomaar ergens anders neerzetten met marionetten, zoals in Irak.” Wel is hij positief over het democratiseren: “Je moet democratie wel verspreiden, want het is beter dan het stammenverwantschap dat er nu is.”
Het is duidelijk dat democratiseringsprocessen vaak moeizaam verlopen. Irak is daar een voorbeeld van. Misschien zorgt de afloop van Irak er wel voor dat het westen minder snel democratiseringsprocessen in andere landen opstart. “Je zou verwachten van wel,” zegt Mezzera. "Toch worden er maar weinig lessen geleerd. Kijk maar naar hoe de Verenigde Staten en Frankrijk zich opstellen tegenover Iran. Als andere belangen een rol spelen, bijvoorbeeld het beheer van oliebronnen of als Iran als een bedreiging wordt gezien, kiest het westen toch voor een interventie.”
Saturday, September 29, 2007
Achtergrondartikel
Imago Nederlands leger staat ter discussie
Met nog maar een paar weken te gaan voor het definitieve besluit over de verlenging van de Nederlandse missie in Afghanistan wordt genomen, raakt Nederland overspoeld met nieuws over de missie. Of al die informatie het publiek ook echt een beter beeld geeft, is nog maar de vraag.
Wederopbouw
VersPers.nl september 2007
Met nog maar een paar weken te gaan voor het definitieve besluit over de verlenging van de Nederlandse missie in Afghanistan wordt genomen, raakt Nederland overspoeld met nieuws over de missie. Of al die informatie het publiek ook echt een beter beeld geeft, is nog maar de vraag.
Het imago van Defensie lijdt onder de informatiestroom rond deze verlenging en de steun voor de missie onder de Nederlanders is met 39 procent lager dan ooit. Het Bureau Gedragswetenschappen van Defensie doet er continu onderzoek naar. Maandelijks worden er telefonische en schriftelijke enquêtes gehouden, waarmee het imago van Defensie en het draagvlak voor de missie nauwlettend in de gaten wordt gehouden. Ook in verband met het werven van nieuwe mensen.
Het lagere cijfer is volgens Robin Middel, woordvoerder van de Uruzganmissie, een direct gevolg van de uitgebreide berichtgeving rond de gevechten in Chora. "Op dit moment wordt er veel gevochten in Uruzgan. Dat drukt de wederopbouw naar de achtergrond. Er zijn ook grote successen geboekt, maar die zijn moeilijk te vertalen in de publiciteit," zegt Middel. "Een overleg tussen stamhoofden doet het in de media nu eenmaal minder goed dan vijfhonderd Talibanstrijders die een post willen aanvallen."
Wederopbouw
Middel geeft drie redenen aan waarom het imago van Defensie is verslechterd. Ten eerste zit Nederland nu ruim een jaar in de Afghaanse provincie Uruzgan. De roep van journalisten om een concrete stand van zaken over de wederopbouw wordt steeds luider. Volgens Middel daarentegen is wederopbouw moeilijk zo concreet aan te geven. "De media hebben de neiging om te zeggen: geef ons maar een lijst met waterputten. Maar daar gaat het niet om. De waterput is niet de wederopbouw."
"NGO’s (niet-gouvernementele organisaties, bijvoorbeeld het Rode Kruis red.) doen de wederopbouw, het leger zorgt daarbij voor de veiligheid. Wederopbouw is bijvoorbeeld het opzetten van een EHBO-post. De Taliban heeft daar ook baat bij, dus die vernielen ze niet. Vervolgens worden er vanuit die post cursussen gegeven aan Afghanen. Alternatieve manieren aanbieden om zelf het land op te bouwen, daar gaat het om. Maar dat kan niet binnen een jaar." Hij denkt dat de verwachtingen van de samenleving wat betreft de wederopbouw misschien te hoog zijn.
Daarnaast denkt Middel dat Nederland zich misschien niet genoeg realiseert dat Defensie er in het belang van de Nederlandse samenleving is. "We leven in een welvarend land en die welvaart is voor negentig procent afhankelijk van een stabiele exportmarkt. Het is in mijn optiek dan ook niet raar dat de Nederlandse samenleving investeert in een veilige en stabiele wereld."
Voor een positief imago wijst hij ook naar de politiek: "Niet alleen Defensie moet draagkracht voor de missie creëren, ook Buitenlandse Zaken moet dat doen. De missie is een uitvloeisel van ons buitenlands beleid, maar die gezamenlijke gedachte is er nog niet genoeg."
Herman Vijlbrief, verslaggever bij Netwerk, denkt dat het ook een beetje eigen schuld is, dat er zo op de wederopbouw wordt gehamerd door de pers: "Defensie communiceert steeds dat het om een wederopbouwmissie gaat." Hij vindt het logisch dat die vragen komen als er vervolgens Nederlandse soldaten sneuvelen in gevechten.
Dienstplicht
Een historische verklaring voor het verslechterde imago van Defensie zijn de veranderingen die de organisatie zelf heeft ondergaan. Tien jaar geleden is de dienstplicht opgeschort en is niemand meer verplicht het leger in te gaan. In de tijd van de dienstplicht kende iedereen wel iemand die bij Defensie werkte. Vijlbrief kan zich wel voorstellen dat dit een rol speelt. Hij is er zelf een voorbeeld van: "Ik ben nooit in dienst geweest, ik ben er te jong voor," zegt hij. "Voordat ik naar Uruzgan ging, had ik niet zo veel met het leger. Dat is snel veranderd."
Embedded
Een manier voor Defensie om hun verhaal te doen over de missie en zo bij te kunnen dragen aan een positiever beeld over het leger en de missie, is journalisten 'embedded' (dat wil zeggen dat de journalist een tijdje mee mag met een militaire eenheid) een kijkje bij de missie te laten nemen. Vijlbrief is begin dit jaar ook twee weken embedded in Afghanistan geweest. Hij ging ernaartoe om een reportage over de nazorg voor veteranen te maken. Eenmaal daar raakte hij betrokken bij een zelfmoordaanslag, toen hij met een patrouille mee op pad was. "We reden door de woestijn. Afghanistan is een prachtig land. Kinderen zwaaiden ons toe vanaf de kant van de weg en we zeiden tegen elkaar: ‘Is hier nou oorlog?’. Het volgende moment was alles anders."
Ook over de aanslag maakte hij een reportage. "Dan laat je de gruwelijke werkelijkheid zien," zegt hij. Toch is het embedded zijn hem meegevallen: "Ik mocht alles doen wat ik wilde. De regel van Defensie is dat je alles mag laten zien, zolang het de missie maar niet in gevaar brengt." Voor het resultaat naar buiten wordt gebracht, moeten journalisten hun werk eerst aan Defensie voorleggen. Vijlbrief moest een keer een bijzin weghalen, maar "dat ging nergens over," volgens hem.
Doordat journalisten voor korte duur op deze manier in en uit het legerkamp vliegen is embedded zijn niet helemaal op de werkelijkheid. "Alles wordt voor je bepaald," zegt Vijlbrief. "Het kamp is heel klein. Eigenlijk doen alle journalisten er hetzelfde, ze stellen allemaal dezelfde vragen. Maar je moet zo veel mogelijk laten zien, zoals bijvoorbeeld die aanslag. Dan hoef je het niet uit te leggen, want je laat het al zien."
Partijdigheid
Nel Ruigrok, hoofd onderzoek bij de Nederlandse Nieuwsmonitor en docent oorlogsverslaggeving aan de Universiteit van Amsterdam, is het daarmee eens. Ze promoveerde op een onderzoek naar de verslaggeving tijdens Bosnië en heeft toen gezien hoe erg de verslaggeving eronder kan lijden als journalisten hun onpartijdigheid verliezen. Veel journalisten in Bosnië werden fel voorstander van de interventie, maar hadden daar eigenlijk te weinig kennis over. Daarnaast citeerden ze vooral slachtoffers. Hierdoor werd de verslaggeving partijdig en vol met stereotypen.
Ruigrok pleit er daarom sterk voor dat journalisten zo veel mogelijk kanten van het verhaal laten zien en dat ze nuanceren. Ze geeft echter ook aan dat er veel hindernissen en valkuilen zijn om tot zulke verslaggeving te komen. "Het is moeilijk om in Afghanistan volgens journalistieke criteria te werken, omdat het een erg ontoegankelijk gebied is. Journalist Arnold Karskens is er nog wel op eigen gelegenheid naartoe geweest, maar het is bijna onmogelijk om dat te doen. Als je naar Afghanistan gaat, ga je embedded en dat levert een heel ander soort journalistiek op. Je trekt als journalist steeds met de militairen op en dat maakt het moeilijker om er daarna negatief over te berichten en kritisch te zijn."
Vijlbrief heeft dit ook ervaren. Hij geeft aan dat het kamp erg klein is en je constant op elkaars lip zit. Je krijgt snel een band. Met sommige militairen waar hij mee omging toen hij embedded was, heeft hij nog steeds contact. Over zijn reportage over de aanslag zegt hij: "Ik wilde het vooral zo maken dat de jongens daar zouden zeggen: ‘Zo was het. Zo heb ik het ook ervaren’."
Ondanks dat het embedded zijn ook nadelen heeft, denkt Middel dat een permanente aanwezigheid van journalisten in het gebied wel de beste manier zou zijn om de missie zo goed mogelijk te verslaan. "Ook al is dat niet haalbaar voor Nederland," zegt hij erbij.
Ruigrok is het ermee eens dat de constante aanwezigheid van journalisten in het gebied goed zou zijn. "Je kunt dan beide kanten laten zien, dus ook de Taliban.” Bovendien geeft het journalisten de mogelijkheid zich echt in te werken in de materie: "Journalisten die er embedded naartoe gaan, hebben vaak geen idee. Het is spannend om erheen te gaan en je hebt doorgaans weinig tijd om je voor te bereiden. Vaak ga je er al met een vooroordeel naartoe. Daardoor ben je meer vatbaar voor manipulatie. Als je er langer bent en tussen de mensen leeft, krijg je een heel ander beeld dan als je incidenteel bij een slachtoffer gaat kijken."
Vijlbrief is het er niet onverdeeld mee eens. "Het kan niet", zegt hij "want dan zou Defensie dat moeten betalen en dat doen ze niet. Het zou wel goed zijn, omdat je er dan zo dicht op zit. Aan de andere kant is het werkgebied zo klein dat je iedereen snel kent en dat is niet gezond. Misschien zou het kunnen als je de journalist elke maand afwisselt."
Scoren
De drang om een goed verhaal te scoren is een ander punt waarom Middel voor een permanente aanwezigheid in het gebied is. "Embedded journalisten zijn maar heel kort in Afghanistan en dan moeten ze met een verhaal terugkomen." Ruigrok is ervan overtuigd dat de drang om te scoren meespeelt: "Ik geloof zeker dat journalisten eerder op negatief nieuws zijn gericht." Ze benadrukt hierbij echter dat zowel Defensie als de journalistiek wat dit betreft preken voor eigen parochie. Beiden hebben ze hun eigen belangen.
Middel is ontevreden over een persbriefing over de wederopbouw dat niet meer publiciteit opleverde dat een eenkoloms berichtje in de Volkskrant, terwijl Vijlbrief dit niet als een bewust gekozen negatieve insteek ziet. Hij wijst op de journalistieke verantwoordelijkheid: "Als journalist moet je altijd kritisch zijn en niet aan de leiband van Defensie meelopen. Leuk dat die stamhoofden vandaag gaan overleggen, maar doen ze dat morgen ook nog? Of zijn ze dan weer van mening veranderd?"
Volgens Middel zoeken journalisten vaak bevestiging. "Eén mens is geen mens," zegt hij, "daarom zoeken ze een bron die hun verhaal bevestigd." Ruigrok beaamt dat een dergelijke werkwijze voorkomt. "In Bosnië gebeurde dat in ieder geval. Het heet 'opportune witness'. De journalist citeert dan bronnen die hetzelfde idee hebben over het onderwerp als hijzelf heeft."
Kritisch blijven
De doelgroep, het publiek, lijkt soms een beetje uit het oog verloren te zijn. Misschien heeft dat ermee te maken dat het Defensie-imago verslechterd is en de steun voor de missie op dit moment laag is. Defensie vertelt uiteindelijk liever zelf hun eigen verhaal op bijvoorbeeld een luchtmachtdag en de journalistiek neemt voor de kijkcijfers af en toe een beetje nuanceverlies op de koop toe.
"Als kijker of lezer moet je er daarom kritisch tegenover blijven staan. Het is niet de enige waarheid," roept Ruigrok het publiek op. "Je moet altijd in het achterhoofd houden dat het een selectie is die afhankelijk is van het moment en de omstandigheden."
Ze ziet daarin ook een rol voor de journalist weggelegd: “Het publiek is zeer afhankelijk van de media. Daarom moet de journalistiek nuanceren en soms erbij zeggen dat hij geen hoor en wederhoor kan toepassen en dat dit de enige bronnen zijn die hij kon vinden. Dat is moeilijk, want de krant moet toch verkocht worden."
Vijlbrief zegt ook: "Hét onafhankelijke verhaal bestaat niet. Je pikt er altijd een ding uit, dus je bent subjectief. Een reportage is gemaakt voor een breed publiek, daarin verlies je altijd nuance." Voor woordvoerder Robin Middel is het niet eens een kwestie van nuance verliezen per item: "Wij leggen hier alles naast elkaar en bekijken zo per keer het totale beeld. Soms win je dan en soms verlies je."
Politieke invloed
De minst beïnvloedbare partij lijkt uiteindelijk de politiek te zijn. "Ik heb het idee dat de missie vooral een politiek ding is en dat achter de schermen allang is besloten dat we doorgaan," aldus Vijlbrief. "Wij hebben daar als journalisten geen invloed op, hoezeer dat ook zou moeten in een democratie. Je hebt pas invloed als je keihard kan bewijzen dat wat we in Afghanistan doen niet werkt.” Ruigrok heeft dezelfde visie: "De overheid doet het toch; als ze wil ingrijpen dan doet ze dat." Ze gelooft wel dat de journalistiek een bepaalde invloed heeft, maar "de journalistiek heeft geen macht. Macht klinkt alsof ze iets kan afdwingen en dat kan ze niet".
Tuesday, June 06, 2006
Interview
Marc Chavannes: ‘Je moet wegwezen voor je nieuwsgierigheid verliest’.
Babel juni 2006
“Als je twee banen hebt, heb je er eigenlijk drie”, verzucht Marc Chavannes als hij aanschuift voor een interview. Hij verwijst ermee naar zijn twee drukke banen. De helft van de tijd werkt hij als redacteur bij het NRC. Daarnaast is hij hoogleraar journalistiek aan de Rijks Universiteit Groningen. Als “leerstoelgroephouder, zoals dat heet” is hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van zo’n 120 minorstudenten en 45 masterstudenten. Allemaal willen ze de journalistiek in. Daarvoor hebben ze in Chavannes een ideaal klankbord gevonden, want hij heeft al een lang journalistiek leven achter de rug.
Na zijn studie rechten aan de Universiteit van Leiden, studeerde hij journalistiek aan Columbia University in New York. Daarna vervulde hij als redacteur verschillende functies bij het NRC Handelsblad. Maar het bekendst is hij waarschijnlijk toch wel als correspondent. Dat was hij de afgelopen jaren in Londen, Frankrijk en Washington. Over de tijd die hij in het buitenland doorbracht schreef hij ook boeken. Zo kwam ‘Frankrijk achter de schermen’ in het leven en het vorige maand uitgekomen ‘Op de As van Goed en Kwaad’, over de Verenigde Staten.
Zijn schrijfsels bleven niet onopgemerkt. In 1988 won hij de Prijs voor de Dagbladjournalistiek en in 2004 kreeg hij de Anne Vondelingprijs voor zijn verslaglegging rond de Amerikaanse verkiezingen. Reden genoeg dus voor Babel om eens te gaan praten met deze man.
Waarom heeft u het correspondentschap vaarwel gezegd en bent u hoogleraar geworden?
Bij NRC Handelsblad bestaat de traditie dat correspondenten rouleren. Je bent maximaal vier tot zes jaar correspondent in een bepaald land. Ik zat vijf jaar in de Verenigde Staten, dus ik kwam bijna terug. Als buitenlands correspondent maak je in een nieuw land een curve door: In het begin weet je er niet zo veel van en maak je beginnersfouten. Dan leer je steeds meer over het land en wordt je steeds beter. Daarna weet je er zoveel van dat het gevaar bestaat dat je alles al een keer hebt beschreven. Je moet wegwezen voor je die verliest. Want door nieuwsgierigheid gedreven, schrijf je de mooiste stukken.
Toen ik door Groningen werd gevraagd om daar naartoe te komen was ik verrast, maar ik vond het ook heel leuk, omdat ik geloof in het vak. Het gezag van de journalistiek is in Nederland niet zo groot, er zijn veel ontwikkelingen die het vak onder druk zetten, het kan alleen voortbestaan met goedopgeleide mensen.
U bent correspondent geweest in Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten. Die landen hebben met elkaar een hele bijzondere verhouding. Is het niet moeilijk om van zulke, soms tegengestelde, landen verslag te moeten doen?
Nee, ik vond het [een ideaal toeval. Frankrijk en Amerika zijn allebei landen die aanspraak maken op het uitvinden van de parlementaire democratie. De enige echte. Ze zijn daarom elkaars favoriete tegenvoeter. Frankrijk vind het heerlijk om op de Verenigde Staten af te geven, en Amerika vind Frankrijk in zijn hart heel charmant. Groot-Brittannië heeft ook de laatste jaren getracht Amerika's beste bondgenoot te zijn; ik weet een beetje waar dat vandaan komt.
Zo’n land waar je jezelf helemaal opgestort hebt, raak je niet meer kwijt. Daarom vond ik het bij het begin van de Irak oorlog zo interessant om te zien hoe Frankrijk zich opstelde en hoe Blair bondgenoten probeerde te vinden. Het was echt onder tafel zitten bij de grote mogendheden. Ik vond het niet moeilijk, maar net fascinerend om daar verslag van te doen, ik wist waar ik op moest letten bij die landen.
In uw nieuwe boek: ‘Op de As van Goed en Kwaad’ gaat u op zoek naar ‘Amerika ten tijde van George W. Bush’, dus naar en door het door Republikeinen gedomineerde Amerika. U wilt ‘Amerikanen laten zien zoals ze zijn’. Wat hoopt u dat de lezer uit uw boek haalt?
Ten eerste hoop ik dat de lezer een aantal plezierige uren heeft met het boek in de hand. Verder is het boek zo opgesteld dat het niet van voor naar achter helemaal gelezen hoeft te worden. De lezer kan zelf hoofdstukken uitpikken die hem interessant lijken. Als iemand zich bijvoorbeeld afvraagt hoe het Amerikaanse politieke systeem nu eigenlijk in elkaar zit, dat staat er vrij feitelijk in. Ik hoop ook dat mensen het gezellig vinden om te lezen hoe Amerikanen eten, trouwen, geloven, reizen en hoe ze aan sport doen. En ik hoop dat de mensen die het boek wel helemaal lezen, zien dat het een met het ander samenhangt: de goedgelovigheid, de soms bot lijkende aanpak, andere landen de les lezen, en de goede bedoelingen: waar het uit voort komt. Je kan het ook zien als verschillende boeken voor verschillende mensen.
Ik denk ook dat wat nu niet actueel is, volgende week wel actueel is. Zoals met Hirsi Ali, die naar de Amerikaanse denktank gaat. Dat is wel een mooi voorbeeld van iets dat in mijn boek beschreven staat.
Ik heb wel eens het idee dat schrijvers van dit soort boeken over Amerika, altijd een beetje in de bres moeten springen voor het land. De toon lijkt vaak verdedigend, om maar te laten zien dat Amerika anders is dan we denken. Ervaart u dat ook zo?
Ik spring niet in de bres voor Amerika, maar het land is, denk ik, wel moeilijker te duiden voor Nederlanders omdat we zoveel beelden kennen. We hebben allemaal een spijkerbroek en we kijken allemaal naar die films. We wonen bij ze in de huiskamer, maar hebben geen idee wat er werkelijk gebeurd. Het boek is niet om wat dan ook goed te praten, maar om uit te leggen waar het vandaan komt. Het is niet pro-Bush, maar ook niet tegen Bush. Ik heb getracht werkelijk te beschrijven wat Bush heeft gezegd en gedaan en waar dat wel of niet in de Amerikaanse traditie past.
Ik vind niet dat je kan zeggen dat Nederlanders algemeen ongenuanceerd zijn. Sommige mensen weten net weer heel veel over Amerika binnen hun vakgebied, maar de ingewikkelde onderliggende motieven worden wel eens over het hoofd gezien. Bovendien is er van alles dat wij hier niet weten. Het stemmen voor veel (semi-)openbare ambten bijvoorbeeld. Dat is eigenlijk meer democratisch dan de Nederlandse praktijk, al heft de overheersende rol van geld in de politiek dat positieve effect wel weer op. Het is geen pro/ contra verhaal. Ik probeer de feiten en nuances in te vullen zodat meer mensen het beter begrijpen. Ik hou van het land, maar wil dat niemand opleggen. Ik heb geen kritiek uit America-bagging maar als kritiek op een goede vriend.
In een ander interview zei u dat meer media over minder schrijven en elkaar napraten en ook elkaars fouten overnemen. Ziet u dat ook in de verslaggeving over Amerika?
Ik denk dat het misschien een deel luiheid en taalarmoede is. Daarom zijn correspondenten ook zo belangrijk. Nog maar weinig media hebben een eigen correspondent in het buitenland, ze moeten het doen met persbureaus als AP, AFP en Reuter. Daarom is er kans op versmalling en meer eenzijdige verslaggeving uit het buitenland. Het gebeurd in het kader van de efficiency, maar leidt wel tot een verarming. Dat is niet goed, we zijn als land rijk genoeg om daarin te kunnen investeren, zou je denken. Je hoort dan steeds maar dezelfde stem vanuit één buitenland, die je misschien helemaal niet zo aanspreekt. Daarom is het goed dat er rotatie is en correspondenten met enige regelmaat wisselen. Bij de gratis kranten ben je bijna helemaal bevrijd van berichtgeving vanuit het buitenland, dat leidt wel tot erge vernederlandsing.
Vindt u het niet vermoeiend steeds in die rol te moeten zitten en Amerika steeds uit te moeten leggen?
Alles in de hele wereld kan je via radio, tv en internet volgen, toch zie je in veel landen een 'verbinnenlandisering'. De tijd dat we gedachteloos opgingen in de Europese droom is voorbij. Maar we kunnen ons minder dan ooit veroorloven, niet te weten wat er in andere landen gebeurd. Anders zie je ontwikkelingen niet aankomen. Amerika wijkt in sommige opzichten af van Europa. Zij vinden Europa een stervend continent dat niet meer de kracht heeft om zich te bewapenen en voort te planten. We houden niet eens onze bevolking op peil! Dat zegt iets over de vitaliteit van dat land. Niet voor niets halen ze zoveel immigranten binnen. Die komen de Verenigde Staten ten goede, daar kan Europa iets van leren. Ik heb het dan niet over het bouwen van een muur in Texas, maar over de werkelijke immigratie.
Ik word er niet moe van alle gegevens over zo'n land bij elkaar te sprokkelen. Na jezelf zes jaar op een land gestort te hebben, wil je ook je gedachten ordenen. Dit is wat ik nu heb aangetroffen, over tien jaar is het misschien weer anders, maar nu is dit mijn ordening.
Heeft u een omschakeling moeten maken van journalistiek bedrijven naar het lesgeven over het vak?
Ik heb een grote omschakeling moeten maken om weer in Nederland te wonen. Ik had wel gehoord van de Fortuyn-revolutie, dat ben ik nu aan het inventariseren. Ik heb het idee dat Nederland niet opener naar buiten is geworden. Gelukkig zijn de ambtelijke verhoudingen op de universiteit nog niet allemaal veranderd.
Heeft u het idee dat de journalistiek een vak is dat te leren is?
Ja. Er is veel vraag naar de opleidingen en weinig werk. Maar gestaag ontstaan er nieuwe webvarianten en dus nieuwe banen. In de Verenigde Staten heb ik nieuwe vormen van journalistiek gezien en gevolgd, sommige positief, andere negatief. Ik weet niet zeker of ze hier komen, maar het is goed om ze te volgen.
Ziet u nog een speciale rol weggelegd voor journalisten in de relatie tussen Amerika en Nederland?
Over het algemeen letten Amerikaanse journalisten alleen op Europa als er iets dramatisch is gebeurd, zoals laatst. Dan wordt ik gebeld om Hirsi Ali uit te leggen. Ik ben ook uitgenodigd af en toe een bijdrage te leveren aan een Amerikaanse groepsweblog: www.tpmcafe.com. Daar wordt op een goed niveau gediscussieerd over actuele onderwerpen. Het idee van een elektronisch koffiehuis spreekt me aan, maar het gaat er wel eens erg serieus aan toe. Bloggen mag wel wat spontaner.
U eindigt uw boek positief, door te zeggen dat Amerika zichzelf steeds weer corrigeert. Nu de spanning tussen de Verenigde Staten en Iran zo stijgen zijn er veel mensen die zich af vragen of dat ook gaat gebeuren, of dat er misschien nog een oorlog bij komt.
In mijn boek verwijs ik daarmee naar het herstellen van het oude respect voor de rechtsstaat en het respect voor landen die bondgenoten zijn. Er is in vorige crises een tegenbeweging ontstaan die het land weer op zijn oude democratische en rechtsstatelijke koers bracht. Dat geeft hoop, maar ik ga niet graag de voorspellende sfeer in.
Zonder een voorspelling te doen, wat denkt u dat er na de volgende presidentsverkiezingen gaat gebeuren? De nieuwe president krijgt van alles op zijn bord: de oorlog in Irak is er nu eenmaal, er zijn tekorten. Zal bijvoorbeeld de ‘War on Terror’ worden overgenomen, of zal een nieuwe president daar afstand van doen en de Irak oorlog zo snel mogelijk willen beëindigen?
Amerikanen hebben groot ontzag voor hun staatshoofd, wie dat ook is. Veel presidenten zetten het beleid van hun voorganger vaak door. Daar was George W. Bush zelf een uitzondering op. Hij volgde, vooral in het begin de ABC-lijn: Anything But Clinton. Het Amerikaanse beleid is over het algemeen consistenter dan je verwacht. De ‘War on Terror’ wordt wel doorgezet. Hillary Clinton is op dit moment de grootste kandidaat bij de Democraten. Zij heeft nooit afstand genomen van de oorlog in Irak, maar zal waarschijnlijk wel weer meer de buitenlandse diplomatie op gang brengen. Het is overigens de moeite waard meer op de feiten te letten dan op de taal. Iedereen die linkser is dan Bush zal zeggen: alles van gaat Bush weg, om vervolgens toch veel bestaand beleid voort te zetten.
Babel juni 2006
“Als je twee banen hebt, heb je er eigenlijk drie”, verzucht Marc Chavannes als hij aanschuift voor een interview. Hij verwijst ermee naar zijn twee drukke banen. De helft van de tijd werkt hij als redacteur bij het NRC. Daarnaast is hij hoogleraar journalistiek aan de Rijks Universiteit Groningen. Als “leerstoelgroephouder, zoals dat heet” is hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van zo’n 120 minorstudenten en 45 masterstudenten. Allemaal willen ze de journalistiek in. Daarvoor hebben ze in Chavannes een ideaal klankbord gevonden, want hij heeft al een lang journalistiek leven achter de rug.
Na zijn studie rechten aan de Universiteit van Leiden, studeerde hij journalistiek aan Columbia University in New York. Daarna vervulde hij als redacteur verschillende functies bij het NRC Handelsblad. Maar het bekendst is hij waarschijnlijk toch wel als correspondent. Dat was hij de afgelopen jaren in Londen, Frankrijk en Washington. Over de tijd die hij in het buitenland doorbracht schreef hij ook boeken. Zo kwam ‘Frankrijk achter de schermen’ in het leven en het vorige maand uitgekomen ‘Op de As van Goed en Kwaad’, over de Verenigde Staten.
Zijn schrijfsels bleven niet onopgemerkt. In 1988 won hij de Prijs voor de Dagbladjournalistiek en in 2004 kreeg hij de Anne Vondelingprijs voor zijn verslaglegging rond de Amerikaanse verkiezingen. Reden genoeg dus voor Babel om eens te gaan praten met deze man.
Waarom heeft u het correspondentschap vaarwel gezegd en bent u hoogleraar geworden?
Bij NRC Handelsblad bestaat de traditie dat correspondenten rouleren. Je bent maximaal vier tot zes jaar correspondent in een bepaald land. Ik zat vijf jaar in de Verenigde Staten, dus ik kwam bijna terug. Als buitenlands correspondent maak je in een nieuw land een curve door: In het begin weet je er niet zo veel van en maak je beginnersfouten. Dan leer je steeds meer over het land en wordt je steeds beter. Daarna weet je er zoveel van dat het gevaar bestaat dat je alles al een keer hebt beschreven. Je moet wegwezen voor je die verliest. Want door nieuwsgierigheid gedreven, schrijf je de mooiste stukken.
Toen ik door Groningen werd gevraagd om daar naartoe te komen was ik verrast, maar ik vond het ook heel leuk, omdat ik geloof in het vak. Het gezag van de journalistiek is in Nederland niet zo groot, er zijn veel ontwikkelingen die het vak onder druk zetten, het kan alleen voortbestaan met goedopgeleide mensen.
U bent correspondent geweest in Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten. Die landen hebben met elkaar een hele bijzondere verhouding. Is het niet moeilijk om van zulke, soms tegengestelde, landen verslag te moeten doen?
Nee, ik vond het [een ideaal toeval. Frankrijk en Amerika zijn allebei landen die aanspraak maken op het uitvinden van de parlementaire democratie. De enige echte. Ze zijn daarom elkaars favoriete tegenvoeter. Frankrijk vind het heerlijk om op de Verenigde Staten af te geven, en Amerika vind Frankrijk in zijn hart heel charmant. Groot-Brittannië heeft ook de laatste jaren getracht Amerika's beste bondgenoot te zijn; ik weet een beetje waar dat vandaan komt.
Zo’n land waar je jezelf helemaal opgestort hebt, raak je niet meer kwijt. Daarom vond ik het bij het begin van de Irak oorlog zo interessant om te zien hoe Frankrijk zich opstelde en hoe Blair bondgenoten probeerde te vinden. Het was echt onder tafel zitten bij de grote mogendheden. Ik vond het niet moeilijk, maar net fascinerend om daar verslag van te doen, ik wist waar ik op moest letten bij die landen.
In uw nieuwe boek: ‘Op de As van Goed en Kwaad’ gaat u op zoek naar ‘Amerika ten tijde van George W. Bush’, dus naar en door het door Republikeinen gedomineerde Amerika. U wilt ‘Amerikanen laten zien zoals ze zijn’. Wat hoopt u dat de lezer uit uw boek haalt?
Ten eerste hoop ik dat de lezer een aantal plezierige uren heeft met het boek in de hand. Verder is het boek zo opgesteld dat het niet van voor naar achter helemaal gelezen hoeft te worden. De lezer kan zelf hoofdstukken uitpikken die hem interessant lijken. Als iemand zich bijvoorbeeld afvraagt hoe het Amerikaanse politieke systeem nu eigenlijk in elkaar zit, dat staat er vrij feitelijk in. Ik hoop ook dat mensen het gezellig vinden om te lezen hoe Amerikanen eten, trouwen, geloven, reizen en hoe ze aan sport doen. En ik hoop dat de mensen die het boek wel helemaal lezen, zien dat het een met het ander samenhangt: de goedgelovigheid, de soms bot lijkende aanpak, andere landen de les lezen, en de goede bedoelingen: waar het uit voort komt. Je kan het ook zien als verschillende boeken voor verschillende mensen.
Ik denk ook dat wat nu niet actueel is, volgende week wel actueel is. Zoals met Hirsi Ali, die naar de Amerikaanse denktank gaat. Dat is wel een mooi voorbeeld van iets dat in mijn boek beschreven staat.
Ik heb wel eens het idee dat schrijvers van dit soort boeken over Amerika, altijd een beetje in de bres moeten springen voor het land. De toon lijkt vaak verdedigend, om maar te laten zien dat Amerika anders is dan we denken. Ervaart u dat ook zo?
Ik spring niet in de bres voor Amerika, maar het land is, denk ik, wel moeilijker te duiden voor Nederlanders omdat we zoveel beelden kennen. We hebben allemaal een spijkerbroek en we kijken allemaal naar die films. We wonen bij ze in de huiskamer, maar hebben geen idee wat er werkelijk gebeurd. Het boek is niet om wat dan ook goed te praten, maar om uit te leggen waar het vandaan komt. Het is niet pro-Bush, maar ook niet tegen Bush. Ik heb getracht werkelijk te beschrijven wat Bush heeft gezegd en gedaan en waar dat wel of niet in de Amerikaanse traditie past.
Ik vind niet dat je kan zeggen dat Nederlanders algemeen ongenuanceerd zijn. Sommige mensen weten net weer heel veel over Amerika binnen hun vakgebied, maar de ingewikkelde onderliggende motieven worden wel eens over het hoofd gezien. Bovendien is er van alles dat wij hier niet weten. Het stemmen voor veel (semi-)openbare ambten bijvoorbeeld. Dat is eigenlijk meer democratisch dan de Nederlandse praktijk, al heft de overheersende rol van geld in de politiek dat positieve effect wel weer op. Het is geen pro/ contra verhaal. Ik probeer de feiten en nuances in te vullen zodat meer mensen het beter begrijpen. Ik hou van het land, maar wil dat niemand opleggen. Ik heb geen kritiek uit America-bagging maar als kritiek op een goede vriend.
In een ander interview zei u dat meer media over minder schrijven en elkaar napraten en ook elkaars fouten overnemen. Ziet u dat ook in de verslaggeving over Amerika?
Ik denk dat het misschien een deel luiheid en taalarmoede is. Daarom zijn correspondenten ook zo belangrijk. Nog maar weinig media hebben een eigen correspondent in het buitenland, ze moeten het doen met persbureaus als AP, AFP en Reuter. Daarom is er kans op versmalling en meer eenzijdige verslaggeving uit het buitenland. Het gebeurd in het kader van de efficiency, maar leidt wel tot een verarming. Dat is niet goed, we zijn als land rijk genoeg om daarin te kunnen investeren, zou je denken. Je hoort dan steeds maar dezelfde stem vanuit één buitenland, die je misschien helemaal niet zo aanspreekt. Daarom is het goed dat er rotatie is en correspondenten met enige regelmaat wisselen. Bij de gratis kranten ben je bijna helemaal bevrijd van berichtgeving vanuit het buitenland, dat leidt wel tot erge vernederlandsing.
Vindt u het niet vermoeiend steeds in die rol te moeten zitten en Amerika steeds uit te moeten leggen?
Alles in de hele wereld kan je via radio, tv en internet volgen, toch zie je in veel landen een 'verbinnenlandisering'. De tijd dat we gedachteloos opgingen in de Europese droom is voorbij. Maar we kunnen ons minder dan ooit veroorloven, niet te weten wat er in andere landen gebeurd. Anders zie je ontwikkelingen niet aankomen. Amerika wijkt in sommige opzichten af van Europa. Zij vinden Europa een stervend continent dat niet meer de kracht heeft om zich te bewapenen en voort te planten. We houden niet eens onze bevolking op peil! Dat zegt iets over de vitaliteit van dat land. Niet voor niets halen ze zoveel immigranten binnen. Die komen de Verenigde Staten ten goede, daar kan Europa iets van leren. Ik heb het dan niet over het bouwen van een muur in Texas, maar over de werkelijke immigratie.
Ik word er niet moe van alle gegevens over zo'n land bij elkaar te sprokkelen. Na jezelf zes jaar op een land gestort te hebben, wil je ook je gedachten ordenen. Dit is wat ik nu heb aangetroffen, over tien jaar is het misschien weer anders, maar nu is dit mijn ordening.
Heeft u een omschakeling moeten maken van journalistiek bedrijven naar het lesgeven over het vak?
Ik heb een grote omschakeling moeten maken om weer in Nederland te wonen. Ik had wel gehoord van de Fortuyn-revolutie, dat ben ik nu aan het inventariseren. Ik heb het idee dat Nederland niet opener naar buiten is geworden. Gelukkig zijn de ambtelijke verhoudingen op de universiteit nog niet allemaal veranderd.
Heeft u het idee dat de journalistiek een vak is dat te leren is?
Ja. Er is veel vraag naar de opleidingen en weinig werk. Maar gestaag ontstaan er nieuwe webvarianten en dus nieuwe banen. In de Verenigde Staten heb ik nieuwe vormen van journalistiek gezien en gevolgd, sommige positief, andere negatief. Ik weet niet zeker of ze hier komen, maar het is goed om ze te volgen.
Ziet u nog een speciale rol weggelegd voor journalisten in de relatie tussen Amerika en Nederland?
Over het algemeen letten Amerikaanse journalisten alleen op Europa als er iets dramatisch is gebeurd, zoals laatst. Dan wordt ik gebeld om Hirsi Ali uit te leggen. Ik ben ook uitgenodigd af en toe een bijdrage te leveren aan een Amerikaanse groepsweblog: www.tpmcafe.com. Daar wordt op een goed niveau gediscussieerd over actuele onderwerpen. Het idee van een elektronisch koffiehuis spreekt me aan, maar het gaat er wel eens erg serieus aan toe. Bloggen mag wel wat spontaner.
U eindigt uw boek positief, door te zeggen dat Amerika zichzelf steeds weer corrigeert. Nu de spanning tussen de Verenigde Staten en Iran zo stijgen zijn er veel mensen die zich af vragen of dat ook gaat gebeuren, of dat er misschien nog een oorlog bij komt.
In mijn boek verwijs ik daarmee naar het herstellen van het oude respect voor de rechtsstaat en het respect voor landen die bondgenoten zijn. Er is in vorige crises een tegenbeweging ontstaan die het land weer op zijn oude democratische en rechtsstatelijke koers bracht. Dat geeft hoop, maar ik ga niet graag de voorspellende sfeer in.
Zonder een voorspelling te doen, wat denkt u dat er na de volgende presidentsverkiezingen gaat gebeuren? De nieuwe president krijgt van alles op zijn bord: de oorlog in Irak is er nu eenmaal, er zijn tekorten. Zal bijvoorbeeld de ‘War on Terror’ worden overgenomen, of zal een nieuwe president daar afstand van doen en de Irak oorlog zo snel mogelijk willen beëindigen?
Amerikanen hebben groot ontzag voor hun staatshoofd, wie dat ook is. Veel presidenten zetten het beleid van hun voorganger vaak door. Daar was George W. Bush zelf een uitzondering op. Hij volgde, vooral in het begin de ABC-lijn: Anything But Clinton. Het Amerikaanse beleid is over het algemeen consistenter dan je verwacht. De ‘War on Terror’ wordt wel doorgezet. Hillary Clinton is op dit moment de grootste kandidaat bij de Democraten. Zij heeft nooit afstand genomen van de oorlog in Irak, maar zal waarschijnlijk wel weer meer de buitenlandse diplomatie op gang brengen. Het is overigens de moeite waard meer op de feiten te letten dan op de taal. Iedereen die linkser is dan Bush zal zeggen: alles van gaat Bush weg, om vervolgens toch veel bestaand beleid voort te zetten.
Saturday, May 20, 2006
Recensie
Nynke van Hichtum/ Leven en wereld van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer:
Een vrouw die zich niet laat kennen.
Babel mei 2006
Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer (1860-1939) genoot haar leven lang bekendheid. Als domineesdochter was ze bijna een publiek figuur in het dorp waar ze opgroeide. Later werd ze bekend als de vrouw van de voorman van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij: Pieter Jelles Troelstra. Daarnaast had ze onder het pseudoniem Nynke van Hichtum een eigen carrière als kinderboekenschrijfster en –recensente. Eind vorig jaar gaf Uitgeverij Contact over deze bijzondere vrouw een biografie uit, die geschreven werd door journaliste Aukje Holtrop. Hoewel ze volgens de voorflap nauw verbonden was bij de film Nynke, is de gepassioneerde Nynke uit de film in het boek niet terug te vinden.
Holtrop, die Nederlands studeerde hier aan de Universiteit van Amsterdam, geeft in haar voorwoord zelf al aan dat de Nynke van Hichtum uit haar boek heel anders is dan die uit Nynke . Beide beelden zijn dan ook met een ander doel in het leven geroepen. Met haar boek over Sjoukje Troelstra is Holtrop gepromoveerd. Het is een lijvig werk van ruim zeshonderd bladzijden, dat niets onbesproken laat. De biografie begint met een introductie die een tikkeltje saai en uitleggerig is. Hoewel het interessant is om te lezen waarom de auteur het boek heeft geschreven, hoe ze te werk is gegaan en welke problemen ze tegen is gekomen, doen haar ‘praktische opmerkingen voor de lezer’ wel erg bemoederend aan.
De rest van het boek is een prachtig historisch werk. Holtrop zet het tijdsbeeld mooi neer en ze schrijft erg helder. De lezer wordt echt meegenomen in het leven van de Friese gemeente Nes, waar Sjoukje Troelstra opgroeide. Je ruikt de zeelucht over de velden, wordt aan de hand van Sjoukjes vader meegenomen door de tuin en op straat nageroepen vanwege de opvallend witte kleding die Sjoukje van haar moeder moest dragen. Veel uitspraken zijn ook in het Fries weergegeven. Holtrop besteedt niet alleen veel tijd aan de beschrijvingen, maar ook aan de uitleg daarbij. Zo vertelt ze de lezer wat er in die tijd gegeten werd, wat kinderen voor spelletjes deden, hoe de klederdracht was, over geestelijke gezondheidszorg, spiritisme, kerkgeschiedenis, schoolsystemen, politiek en legt uit welke kranten en tijdschriften er waren. Dit maakt het tijdsbeeld compleet.
Holtrop heeft een prettige schrijfstijl en ze neemt je makkelijk mee in wat ze wil vertellen, maar af en toe verliest ze Sjoukje daarbij uit het oog. Daardoor wordt het boek soms meer een historisch werk, dan een biografie.
Bovendien wordt de aandacht al snel afgeleid door Pieter Jelles Troelstra. Deze man, die tijdens zijn leven altijd al de aandacht op zichzelf wist te vestigen, speelt dat zelfs in Holtrops boek nog klaar. Holtrop verklaart de grote rol van deze man in haar boek met de term ‘parallelle levens’. De beide levens zijn zo verstrengeld dat het onmogelijk is om een biografie over de een te schrijven, zonder de ander daarin een grote rol te geven. Troelstra is in ieder geval goed bedeelt, ongetwijfeld doordat er meer informatie over hem beschikbaar is dan over Sjoukje. Dit zorgt soms echter voor verwarring: zo komt de lezer bijvoorbeeld wel te weten wat de impact was van de dood van Sjoukjes moeder op Pieter Troelstra, maar Sjoukje zelf heeft er niets over geschreven. Daarom kom je er niet achter wat dit verlies voor haarzelf betekende. Dit is een gemis in de biografie, dat vaker terugkomt. Bijna nergens kan je invoelen hoe Sjoukje Troelstra de gebeurtenissen in haar leven heeft beleefd. Hoe was het voor haar om kinderen te krijgen, om getrouwd te zijn met Troelstra, boeken te publiceren en opgenomen te worden in het krankzinnigengesticht? Holtrop heeft bewust gekozen voor een wetenschappelijke aanpak van haar onderwerp: “Alle mededelingen die ik over haar doe, kan ik verantwoorden en zijn gebaseerd op verifieerbare bronnen. Ik heb losse einden niet aan elkaar geknoopt”. Waar niets over bekend was, heeft Holtrop niets over geschreven. Helaas verliest de biografie hierdoor zijn meeslepende en intieme karakter, want als lezer blijf je het je toch afvragen. Het duidelijkst heeft Sjoukje misschien wel uitspraak gedaan over haar gevoel na haar scheiding van Pieter Troelstra. Dan is er ook voor het eerst iets van een levensfilosofie te horen: “Gelukkig zijn is niet het hoofddoel van ’t leven, nietwaar? Het is maar de vraag, hoe men het leven aanvat, en of men tegen de slagen van het Noodlot bestand is”, schreef ze in een brief.
Na de scheiding lijkt de schrijfstijl van de biografie afstandelijker te worden. Af en toe verzandt Holtrop bijna in het opsommen van boektitels. Waar de biografie wel in uitblinkt is het duidelijk naar voren brengen van de waarde en het belang van kinderliteratuur. Daarnaast wordt er veel aandacht besteedt aan de verschillende stromingen binnen de kinderliteratuur en aan theorieën die bestonden over zulke literatuur en het recenseren daarvan.
Sjoukje Troelstra alias Nynke van Hichtum had duidelijke criteria voor wat een goed geschreven kinderboek moest bezitten: “talent, grooten eenvoud in taal en stijl en een warm moederhart”. In dat opzicht voldoet Holtrops boek in ieder geval aan Sjoukje Troelstra’s maatstaven. Voor wie geïnteresseerd is in het tijdperk rond de eeuwwisseling en de kinderboekenschrijfster daar graag in wil plaatsen, is het boek een aanrader. Maar Sjoukje Troelstra echt leren kennen -dat lukt zelfs niet met deze biografie.
3 1/2 sterren
Een vrouw die zich niet laat kennen.
Babel mei 2006
Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer (1860-1939) genoot haar leven lang bekendheid. Als domineesdochter was ze bijna een publiek figuur in het dorp waar ze opgroeide. Later werd ze bekend als de vrouw van de voorman van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij: Pieter Jelles Troelstra. Daarnaast had ze onder het pseudoniem Nynke van Hichtum een eigen carrière als kinderboekenschrijfster en –recensente. Eind vorig jaar gaf Uitgeverij Contact over deze bijzondere vrouw een biografie uit, die geschreven werd door journaliste Aukje Holtrop. Hoewel ze volgens de voorflap nauw verbonden was bij de film Nynke, is de gepassioneerde Nynke uit de film in het boek niet terug te vinden.Holtrop, die Nederlands studeerde hier aan de Universiteit van Amsterdam, geeft in haar voorwoord zelf al aan dat de Nynke van Hichtum uit haar boek heel anders is dan die uit Nynke . Beide beelden zijn dan ook met een ander doel in het leven geroepen. Met haar boek over Sjoukje Troelstra is Holtrop gepromoveerd. Het is een lijvig werk van ruim zeshonderd bladzijden, dat niets onbesproken laat. De biografie begint met een introductie die een tikkeltje saai en uitleggerig is. Hoewel het interessant is om te lezen waarom de auteur het boek heeft geschreven, hoe ze te werk is gegaan en welke problemen ze tegen is gekomen, doen haar ‘praktische opmerkingen voor de lezer’ wel erg bemoederend aan.
De rest van het boek is een prachtig historisch werk. Holtrop zet het tijdsbeeld mooi neer en ze schrijft erg helder. De lezer wordt echt meegenomen in het leven van de Friese gemeente Nes, waar Sjoukje Troelstra opgroeide. Je ruikt de zeelucht over de velden, wordt aan de hand van Sjoukjes vader meegenomen door de tuin en op straat nageroepen vanwege de opvallend witte kleding die Sjoukje van haar moeder moest dragen. Veel uitspraken zijn ook in het Fries weergegeven. Holtrop besteedt niet alleen veel tijd aan de beschrijvingen, maar ook aan de uitleg daarbij. Zo vertelt ze de lezer wat er in die tijd gegeten werd, wat kinderen voor spelletjes deden, hoe de klederdracht was, over geestelijke gezondheidszorg, spiritisme, kerkgeschiedenis, schoolsystemen, politiek en legt uit welke kranten en tijdschriften er waren. Dit maakt het tijdsbeeld compleet.
Holtrop heeft een prettige schrijfstijl en ze neemt je makkelijk mee in wat ze wil vertellen, maar af en toe verliest ze Sjoukje daarbij uit het oog. Daardoor wordt het boek soms meer een historisch werk, dan een biografie.
Bovendien wordt de aandacht al snel afgeleid door Pieter Jelles Troelstra. Deze man, die tijdens zijn leven altijd al de aandacht op zichzelf wist te vestigen, speelt dat zelfs in Holtrops boek nog klaar. Holtrop verklaart de grote rol van deze man in haar boek met de term ‘parallelle levens’. De beide levens zijn zo verstrengeld dat het onmogelijk is om een biografie over de een te schrijven, zonder de ander daarin een grote rol te geven. Troelstra is in ieder geval goed bedeelt, ongetwijfeld doordat er meer informatie over hem beschikbaar is dan over Sjoukje. Dit zorgt soms echter voor verwarring: zo komt de lezer bijvoorbeeld wel te weten wat de impact was van de dood van Sjoukjes moeder op Pieter Troelstra, maar Sjoukje zelf heeft er niets over geschreven. Daarom kom je er niet achter wat dit verlies voor haarzelf betekende. Dit is een gemis in de biografie, dat vaker terugkomt. Bijna nergens kan je invoelen hoe Sjoukje Troelstra de gebeurtenissen in haar leven heeft beleefd. Hoe was het voor haar om kinderen te krijgen, om getrouwd te zijn met Troelstra, boeken te publiceren en opgenomen te worden in het krankzinnigengesticht? Holtrop heeft bewust gekozen voor een wetenschappelijke aanpak van haar onderwerp: “Alle mededelingen die ik over haar doe, kan ik verantwoorden en zijn gebaseerd op verifieerbare bronnen. Ik heb losse einden niet aan elkaar geknoopt”. Waar niets over bekend was, heeft Holtrop niets over geschreven. Helaas verliest de biografie hierdoor zijn meeslepende en intieme karakter, want als lezer blijf je het je toch afvragen. Het duidelijkst heeft Sjoukje misschien wel uitspraak gedaan over haar gevoel na haar scheiding van Pieter Troelstra. Dan is er ook voor het eerst iets van een levensfilosofie te horen: “Gelukkig zijn is niet het hoofddoel van ’t leven, nietwaar? Het is maar de vraag, hoe men het leven aanvat, en of men tegen de slagen van het Noodlot bestand is”, schreef ze in een brief.
Na de scheiding lijkt de schrijfstijl van de biografie afstandelijker te worden. Af en toe verzandt Holtrop bijna in het opsommen van boektitels. Waar de biografie wel in uitblinkt is het duidelijk naar voren brengen van de waarde en het belang van kinderliteratuur. Daarnaast wordt er veel aandacht besteedt aan de verschillende stromingen binnen de kinderliteratuur en aan theorieën die bestonden over zulke literatuur en het recenseren daarvan.
Sjoukje Troelstra alias Nynke van Hichtum had duidelijke criteria voor wat een goed geschreven kinderboek moest bezitten: “talent, grooten eenvoud in taal en stijl en een warm moederhart”. In dat opzicht voldoet Holtrops boek in ieder geval aan Sjoukje Troelstra’s maatstaven. Voor wie geïnteresseerd is in het tijdperk rond de eeuwwisseling en de kinderboekenschrijfster daar graag in wil plaatsen, is het boek een aanrader. Maar Sjoukje Troelstra echt leren kennen -dat lukt zelfs niet met deze biografie.
3 1/2 sterren

